Ad Leijdekkers - Zuinige Zeeuwen

Nu we door een boterfabrikant, nu ja boter, zijn wijs gemaakt dat ons Zeeuwen een zuinige hand hebben, dachten Johanna en ik, allez, laten we eens gaan buisen (= kijken) achter de deur van ons erfgoed. Het was open monumentendag, dus het kostte niets, en je steekt er nog wat van op ook. We hebben het toen dicht bij huis gehouden anders loopt het weer in de papieren. We hadden dat jaar al een aderlating achter de rug, moet je weten. Toen waren we de zon in Zuid-Frankrijk op wezen zoeken. Laat die daar nu niet te vinden wezen. En dan gaat het geld kosten. Dan zit dat algauw bij me boven. Wat zoekt een mens zo ver buiten de huizen (= buitenshuis). Het is van op grotemanskakstoel zitten en er doorzakken. Altijd maar denken dat het gras bij de buurman groener is.
Nu zijn we erachter gekomen dat je in je eigen weide wreed (= zeer) goed terecht kunt. We zouden eens een dagje naar Tholen gaan, Tholen en omstreken. In het programma „Ontdek je plekje? had een kerel geroepen “Tholen, warm aanbevolen”. Kijk, wij erop af. Nu is alles op televisie niet zaligmakend. Zo nuchter zijn we wel. Maar bij Johanna zat er nog heel wat anders achter: het pontje, het pontje aan Jacobapolder-Zijpe liep op zijn laatste benen bij wijze van spreken. Ze wou nog eens met dat pontje mee. Uitgekookt als ze is, zei ze: “Dat pontje, dat is een verdwijnend monument. Dat maak je niet meer mee.” Kijk en daarmee kreeg ze de rottum aan het spek.
Nu waaide er op die Monumentendag een bolle wind, kan je wel zeggen. Ze kan al niet tegen een schommelstoel, laat staan tegen een woelig Zijpe. Het was er veel drukker dan ze gedacht had. Het was bootje vol. Je vraagt jezelf dan af of het allemaal monumentenkijkers zijn. We waren helemaal bewapend, fototoestel, geelfilters, een zonnekap en de blitser, nee, ons konden ze niet verrassen. Wat is nu mooier dan baren (= golven) met schuimkoppen in de zon en daarboven die jagende wolkenkastelen. Kom maar op!
We waren nog maar net uit het schuul (= de luwte) van het haventje, en ja hoor, daar had je het gegooi in de glazen Dein je niet, dan heb je niet. Wij als waren we dronken naar het voorschip, zo nu en dan een beetje steunen op een auto, nu en dan werd je wel misprijzend door die vent achter het stuur aangekeken. Voor zijn part kon je met heel je hebben en houden het Zijpe inwaaien. Ik was net gestand. Met moeite hield ik mijn toestel tegen mijn neus en daar komt er een puzze (= emmer) water over boordzijde. Strontnat en geen foto. “Dat is ook lang geleden, mijn knecht, dat ik je zo heb zien zweten.” Dat was een Bruënaar (inwoner van Bruinisse). Dat kon niet missen. Die zijn middag kon niet meer kapot. Die stoepenschijter met zijn haar voor zijn ogen en het water dat van zijn broekspijpen liep, kijk, dat is een foto waard. Gauw de auto in. Dat heb je nu van je strapatsen. Johanna was er ook niet droog vanaf gekomen. Zodoende gingen we als twee verzopen katten het verleden in. Het Thoolse land, beboomde dijken, de eenzame mens, bijna opgelost tegen de oneindige wijdheid van de hemel, die daar zijn hand tegen je opsteekt. De rode, witte en gele dahliabloemen die de muurtjes kussen van de propere huisjes. De schaduwplekken van de wolken schuiven over het gewas gereed om geroofd (= geoogst) te worden. Een schone najaarsdag in een zuiver land, zoals het slot op een mooie ketting: het mooie stadje Tholen, een gevelsteen waar het jaartal 1619 weet te vertellen dat ze hier niet van gisteren zijn. Dwalend langs de oude geveltjes - daar droogt je broek ook van - doken we een poortje in, kwamen we op een binnenplaatsje terecht waar een muziekgezelschap de sterren van de hemel speelde, zomaar onder het late groen van de stervende zomer. Wat bijzondere lieve mensen. Ze speelden gelijk ook met het
carillon. Dat kan alleen maar in Tholen. Vanuit de klokkengaten liet het carillon een regen van klanken druppelen door de straten waar de wind een ondeugend spelletje speelde met het haar van de mooie Thoolse meisjes, en met de vlaggen en de spandoeken, de kleurige uitdragers van een Monumentendag.
Nu krijg ik van het slenteren nogal eens gauw in mijn lenden. Dat kan je zo hebben met de jaren. Eens even tot je eigen komen in een staminee doet de burger dan weer goed. Eens even rustig gaan zitten om al die cultuur te laten bezinken, zal ik maar zeggen. Maar dat ging niet door. Aan de toog zat een kerel die wat wazig opkeek toen we binnenkwamen. Met een forse stem gaf hij even later lucht aan zijn ongenoegen met de gang van de zaken. Zo bleek hij helemaal niet begeesterd te wezen van dat klokkenspel. “Ik wou dat die vent de kramp in zijn klauwen kreeg met zijn getingel.” Hij breide er nog een heel verhaal aan vast. Die vreemdelingen konden voor zijn part allemaal de pot op. “Tholen moest Tholen blijven”, riep hij uit en goot Schiedam door zijn keel. Kijk aan, je kan het niet alle mensen naar hun zin maken. Dat mag bekend wezen. De waardin achter de toog rekende de koffie met een stil excuus in haar ogen met ons af.
We zouden nog eens in Sint Annaland gaan kijken. Sint Annaland, wat moet je daar nu gaan zoeken. Dat weet ik ook niet. Maar ik heb daar wel wat gevonden. De gorzen, laten we maar zeggen de vazzen (= zoden), waarop het dorp is ontstaan werd in 1476 bedijkt door Anna van Bourgondië, vandaar de naam. Ze hebben sindsdien veel visite gehad, de Fransozen, de Spanjolen, de 80-jarige oorlog, watervloeden en de pest om maar wat te noemen. De standaardmolen op de Molendijk, daar was in 1541 al sprake van. Dat is nog een oude taaie. Hij heeft nog eens een geintje uitgehaald. Hij was op een nacht in vol bedrijf maar nadat het maalwerk een stuitje (= eindje) had stilgestaan was er geen beweging meer in te krijgen. Ja, wat doe je als molenaar in het donker? Wachten op de dag. De buur van de molenaar had er lucht van gekregen dat er wat op deed en bij navraag kreeg ze te horen dat de molen betoverd was. Dat werd vaneigens direct aan de grote klok gehangen. De waarheid was dat er een koperen gewichtje in het graan had gezeten en tussen de molenstenen terecht was gekomen. Begin 1800 werden er ook al mensen voor heksen aangezien. Afijn, door alles bij elkaar krijgt Sint Annaland de bijnaam het toverkot.
Nu voor mij heeft het daar weer een beetje getoverd. Daar is er namelijk een plekje waar je een andere wereld instapt. Het museumpje „de meestoof?. Dat is ondergebracht in het vroegere gemeentehuis. Het heeft niets van doen met de geoliede museums als het Louvre te Parijs en de Hermitage van de Russen. Het is een ontroerende verzameling van spullen uit grootmoeders tijd en daarvoor: van een bedstee met een kribbetje tot een heen-en-weerbank, van krantenhanger tot een boerenmuts. Na Sint Annaland weet ik nu wat de uitdrukking
„krijg het heen en weer maar? vandaan komt. Zo?n heen-en-weerbank was een slimme uitvinding. Als je doorwaternat van het land thuiskwam, ging je op die bank met je buik naar de kachel toe zitten, je leunde lekker tegen de grote leuning, maar bleef van achteren wel koud en nat. Geen nood, een kwestie van opstaan, de leuning naar de andere kant klappen en je zat met je rug in de warmte. Misschien is er nu wel een gat in de markt voor de open haard ontdekt.
Maar er is nog meer tover in Sint Annaland. Achter het museumpje is een schuur en in die schuur nog een wondertje. Een schoolklasje uit eind 1800 met alles eraan en erop. Daar waren ze weer, de bankjes met een inktpotje onder een schuifje, de bankjes zonder inktpotje, met een kuit (= kuil) erin om je leienspons in te soppen, een mooie kast met daarachter kroontjespennen, leitjes, telraampjes, Maagdenburger bollen. De tafel met de bloeiende rode
geraniums op de vensterbank voor de ramen van melkglas. Anders keek je op het kerkhof. Toen ik daar zo zat met mijn welvaartsbuikje gekneld tegen de lessenaar van het bankje kwam zomaar het gevoel van geborgenheid over me. “Gezichten op het behang, maar niet echt van binnen bang”, zingt het liedje. Kijk, dat was er weer even, dat gevoel, dat klasje .. Je zoekt het geluk of hoe je het ook noemen wil soms ver van huis en daar ligt het vakbij voor het grijpen. Dat is wat anders als de knoppen van een computer, je naam schrijven met een echte griffel op een echte lei. Als het klasje komend voorjaar weer opengaat, ga dan maar eens kijken Of ik al uitgeveegd ben, gewist zal ik maar zeggen. Ik ben er geweest. Daarom kan ik het je vertellen. Achterom gekeken is het een reclame geworden voor de Monumentendag in het toverkot. Doe er je voordeel mee.