Annie Hage - Plezierige Kerstmis
Of ik het nog wel eens doe? Ben je niet wijzer, kerel, zo’n oude vent. Ik word met de Goese markt eenenzestig, en ik ben zo stijf als een knuppel. Denk je dat ik nu nog over een dulf (= sloot) zou kunnen springen, om mijn eer nog niet over een klein middendulfje. Maar zoals ik zeg, toen als ik een jonge vent was, grote apostel, toen had ik er een boel aardigheid in. Ik bedoel, toen als ik jong was. Maar zo gauw ik getrouwd was, was het uit, glad (= helemaal) uit. Mijn wijf (= vrouw) zei, “blijf jij maar bij mij in bed ’s nachts”, zei ze. “Dat is beter als buiten in de koude achter hazen te raggen (= rennen). En als er een of andere veldwachter jou te grazen krijgt”, zei ze, “dan kun je naar het kot. En daar is het zeker niet zo plezierig als naast mij in het bed.” Had ze gelijk of niet. Ik dacht tenminste bij mezelf: “ je hebt gelijk en ik blijf thuis.”
Maar nu zal ik eens vertellen van die ene keer. Laat me nu rustig doorvertellen en vraag niet elke rees (= reeks) dit of dat want dan raak ik in de war. Als je wat te vragen hebt, dan doe je het meteen maar als ik uitverteld ben. Nu moet je eens luisteren.
Het was op de tweede kerstmis en ik was er tweeëntwintig. Ja, dat kan ik zo goed onthouden omdat ik de dag ervoor voor de eerste keer met Mo, mijn wijf uitgeweest ben. Nu was er hier met kerstmis, met de tweede dan, alzeleven (= altijd) bij ons in de herberg muziek voor de dans. Dat mag nu tegenwoordig niet meer, maar waarom ze het verboden hebben, ik begrijp het niet, hoor. Want als ze dansen willen en ze kunnen het hier op het dorp niet, dan gaan ze natuurlijk toch naar een ander dorp of naar de stad of zo. En als het hier kwaad is, afijn daar kan ik met mijn verstand niet bij. Dat is politiek, zegt de wagenmaker. Smakelijk gebruik.
Nu goed, toen was er muziek voor de dans, twee venters (= mannen) uit de stad, één met zo’n grote hoorn en de andere met een veel kleinere. En blazen man, blazen. Wreed (= erg). En de jongens en de meiden maar dansen, dat begrijp je zo. Je snapt wel, dat was een hele drukte en natuurlijk was de veldwachter van begin tot het einde in de herberg of in de buurt, ofschoon dat hij al van tevoren wist dat er nooit gevochten werd of schandaal verkocht of zat of zoiets.
Pas op, zit niet de dicht met je broek bij de pot van de kachel, hoor, anders smelt ze.
Ik kon toen niet van huis, want ik moest op de beesten passen. Want noom (= oom) Jan en moei (= tante) Bet, die waren ergens op visite. Ik zei je immers dat ik daar grootgekweekt ben. ’s Zaterdags van tevoren was mijn broer Jaap gekomen, even zo maar, en die had zijn geweer - want dat was een nog een veel ergere als ik - en die had zijn geweer laten staan met de boodschap: “Bewaak maar voor mij tot dat ik er weer eens omkom.” Nou, daar was geen bezwaar tegen. Het stond geen mens in de weg. Op die tweede Kerstmisavond, zo tussen licht en donker, komt Jan Neuze; die was toen arbeider bij ons. Hij kwam in de keet (= keuken) en hij zei tegen mij: “Teeuw”, zei hij, “bij die grote doornbos op jouw land, daar lag een haas. Ik heb hem zien liggen.” “Een haas”, zeg ik, “bij …” “Net aan deze kant”, zegt hij. “Als je over het weitje gaat, tot aan die voorzijgewaaide tronkboom (= knotwilg), kun je hem zien liggen.” Nu, dat begrijp je. Dat moest ik zien. Ik lang (= haal) het geweer dat alzeleven (= altijd) gereed stond. Ons eigen geweer dan, hé, bedoel ik en ik voort (= weg). Gevaar was er niet bij, zoals ik meende want die veldwachter … afijn dat begrijp je wel. Ik ging over de Koeiestraat achter op de ark (= bergschuur). Zo over het weitje, recht uit recht aan naar die tronkboom. En warentig (= warempel), hoor. Daar lag er een, ik keek voor de voorzichtigheid nog eens in de rondte, links, rechts, naar de dijk en tegelijk breng ik mijn geweer aan mijn schouder. Ik mikte
goed en … fleer (= klap)… onze maat sprong overeind maar hij viel en hij bleef liggen. Ik had hem de volle laag gegeven.
Als de flikker wip ik over de dulf, ik raap hem op en … maar lieve … daar zie ik eeneens bovenop de dijk een vent, en liefst een vent met blinkende knopen. Wat nu? Hij was nog een heel eindje van me vandaan, wel van hier tot aan het hoevetje van Kees Mus. Maar ik zag goed - al was het al duisterachtig - dat hij regelrecht op me af kwam. Ik had geen zin om mijn haas in de steek te laten Dat kan je wel begrijpen. Ik pak hem op, mijn geweer onder mijn andere arm en ik spring weer weerom. Naar huis? Nee, dat zou al te stom geweest zijn. Dan had die zeker kunnen begrijpen wie ik was. Ik bies (= loop hard) naar de hoek van het weitje achter de doornhaag en ik kijk, en jawel hoor, de blinkende knopen smeerden rechtuit naar mijn kant. Ik denk bij mijzelf, dat is erop of eronder En lopen, kerel, dat ik deed. Die vent, die diender, die schreeuwde wat maar ik dacht: “schreeuw jij maar, ik heb geen oren op mijn rug en verstaan doe ik je toch niet”, en maar lopen. Telkens struikelde ik want het had een klein beetje gevroren en de kluiten die waren hardachtig. Ik vlieg over het lapje van Klaas Fijg. Daar staat ook zo’n dichte doornhaag en ik kijk nog eens om. Maar o maar, het onweer was nog bijlange na nog niet van de lucht. Mijn adem ging als een kapotte blaasbalg, mijn tong hing ik weet niet hoever uit mijn bek, en mijn mond stond wagenwijd open. Ik kon mijn onderkaak bijna niet naar boven krijgen en mijn keel was zo droog als een leren lap. Maar opgeven, nooit van mijn leven Als ik moe was, dan moest die ander het ook wezen. Nog moeër want die had al veel langer aan het biezen (= hardlopen) geweest als ik. Verder dus maar, ik vlieg over de plank achter aan het boogerdje (= boomgaard) van de Fijg, boogerdje door en ik hoor hoe dat die andere ook over de plank stekt, mij achterop natuurlijk. Nu stond er in de hoek van de mestput een stroklamp, een eindje boven de grond over een soortement van putje op oude bielzen. Dat had ik vroeger al eens gezien. Ik spring er naar toe Ik kruip eronder, onder die klamp en vergeef me nog aan toe, tot over mijn enkels in het water en wat voor water. Ik kruip glad (= helemaal) in elkaar en ik kijk en ik loer en jawel, hoor, daar kwam hij ook en hij keek ook in de rondte. Maar mij zag hij niet. Ik hoorde hoe dat zijn adem ging en ik was benauwd want ik dacht: “straks ziet hij me niet, maar hoort hij me vanwege mijn gejaag.” Lang bleef hij niet staan. Ik zag hem over de Koeiestraat stekkeren, ik hoorde hem mopperen, scharrelen hier en daar - niet duidelijk natuurlijk - en eindelijk hoorde ik hem aan Klaas zijn achterdeur rammelen en hela roepen. Ze kwamen en ik hoorde hen praten.
Later heeft Klaas me verteld hoe dat hij vroeg of dat er geen een aan was komen lopen. Net of dat Klaas verteld zou hebben als er een aan komen lopen was, al waren er tien aan komen lopen, dan had hij het nog niet gezegd. Maar Koemannetje, want het was die, die later als brigadier naar Brabant gegaan is, die met die borstelige wenkbrauwen en met die rode slagerskop, Koemannetje moest en zou in het huis kijken. Ik hoor het hem hardop zeggen hoe dat hij de boel wel wou onderzoeken. “Onderzoek jij maar, maat”, dacht ik, “de Fijg zal je wel een stuitje (= eindje) aan de praat houden”.
Toen dat de achterdeur een minuut of wat toe was, toen kroop ik voorzichtig uit mijn wasbekken. Ik kijk nog eens goed en ik achteraan het varkenskot van Klaas door zijn hof de grindweg schuins over en zo over het hagenpadje binnendoor naar huis. En je haas? Ja, dat is waar. Maar die had ik bij me, weet je, hoor eens even, wat dacht je! Weet je wat ik deed? Ik frommelde hem gauw in een leeg konijnenkot. Ik steek al gauw mijn geweer in de stroklamp en toen in huis. Almaar met mijn adem jagen, dat was nog niet over. Kee van Miene van het hoevetje, die meid was bij noom Jan, die verschrikte haar eigen (= schrok zich) zowat een ongeluk zoals ik eruit zag. Maar ik vertelde hoe de haak aan de steel zat. En ik zeg tegen haar: “meteen komt hij vast naar hier en als hij somtemets (= soms) vraagt of dat ik thuis ben, dan
zeg je maar: “ja, hij is al een hele stuit (= eind) in de schuur.Maar geef me nu maar eerst eens droge kousen en poer (= stop) deze in je zak voor een stuitje.” Maar ze rook ze al van een eindje, natuurlijk, ze pakte ze voorzichtig vast en ze stak ze in de doofpot die bij de kachel stond.
En had ik geen gelijk, denk je. Kwam hij niet? Je kan wel begrijpen dat hij het op mij voorzien had, al had hij me onmogelijk kunnen kennen, dat bestond niet. Ik stond in de voorhoek toen hij riep: “Teeuw?” Ik zeg: “Hela, wat gaat erom?” En ik ging naar hem toe. Gelukkig was ik al veel en veel bedaarder. Maar dan vraagt die stomme heer ginder of ik soms een haas geschoten had. Ik zeg: “Een haas geschoten, ik, ben je niet wijzer?” Toen wou hij in het huis om het geweer te zien. “Goed”, zeg ik, ik zeg: “Ga maar mee in huis, daar brandt de lamp”. Hij ging mee en toen we daar waren, zei hij: “wat zie je rood”. Ik zeg: “Jij ook geen beetje, maar als jij zo’n bag (= zak) of acht voer (= voeder) op je nek gesleept had, zag je misschien nogal roder. Of denk je dat dat niets is? Hier, daar heb je het.” En ik gaf het geweer van onze Jaap een beetje nieuwsgierig wat hij eraan wou zien. Hij keek eens door de loop naar de lamp, hij stak zijn pink er eens in, in die loop, en hij keek er eens naar, en hij rook eens aan zijn pink en toen zei hij niets meer. Ik vraag: “Nu, is het niet in orde, soms?” Hij zei alleen: “Teeuw, ik vertrouw je niet, maar ik zal je in het oog houden.” “Daar zal ik niet over wakker liggen”, zeg ik tegen hem, “maar als ik jou was, zou ik maar in de zekelstoel (= leuningstoel) zitten, want je lijkt wel zo moe als een puit (= kikker) en je zweet als een paard en als je er zin in hebt, kun je ook nog een bakje koffie krijgen of een glaasje melk. Daar zou je van opknappen.” En wat denk je dat hij zei? Hij zei: “Stik met je koffie”. Ik lachte hem in zijn gezicht uit, en ik zeg: “dat is een allerchristelijkste wens en dat op Kerstmis. Ga jij nu maar stilletjes naar het dorp, Koeman, en zie dat je een potje bier op de kop tikt, maar denk erom, stik er niet in, hoor. Een plezierige kerstmis, verder.”