George Sponselee - De verschijning
Het was in de kerk van Hengstdijk. Er was weer zo’n kunsttentoonstelling aan het begin van de winter. Je gaat daar heen. Om dat wat er tentoongesteld wordt, om het kerkje met de prachtige glas-in-loodramen weer eens te zien, en om de mensen tegen te komen. Ongedwongen kun je er met elkaar praten, niemand die het vreemd vindt dat er in een kerk zomaar gepraat kan worden. En toch is het net of je het in zo’n omgeving over andere dingen hebt dan anders. Is dat misschien omdat die heiligenbeelden je altijd maar aankijken, waar je ook gaat staan? Waar het vandaan kwam, zal altijd wel een raadsel blijven maar ineens ging het over verschijningen. Joos zei, al lachende weg en ook een beetje dubbelzinnig tegen Greet: “Hoe is het, Greet, heb jij al eens een verschijning gehad?” Joos verwachtte vast dat ze zou zeggen: “ja, toen dat ik mijn Bert voor de eerste keer zag”. Of zoiets dan toch. Dat pakte echter heel anders uit. “Ja, echtelijk waar, en je mag het opschrijven als je mijn echte naam maar niet gebruikt. Weten jullie nog dat er jaren terug met een beeld van Onze Lieve Vrouw van Fatima hier door heel de streek getrokken werd. Dat was, ik denk … ik was toen zo’n jaar of achttien, denk ik. Charel, jij weet dat vast wel, jij weet allemaal zulke dingen uit je hoofd.”
“Dat was in 1955.”
“Zie je wel, dat kan kloppen. Dat was mij nogal een gebeuren, zie. Bij ons thuis, goed gelovig als ze waren en we hadden een hofje van de kerk, dus we moesten de pastoor wel te vriend houden, zorgden ze dat van zo lang dat de kerk open was, er altijd wel iemand van ons present was. Als de jongere kinderen naar school waren, moesten de oudere ernaartoe. Nu woonden wij in het dorp, dus wijd (ver) lopen was het niet en omdat ons jongens hun werk hadden, moest ik als meisje er geregeld naar toe. Zit ik daar stijf op mijn knieën een eindje voor dat beeld op zo’n stenen trap, niet eens een kussentje eronder, boete doen, snap je wel, kijk ik naar dat beeld en wat zie ik? Uit dat links oog drupt heel langzaam een traan naar beneden.
Wil je geloven dat ik verschoot dat ik klutste. Ik en een verschijning, dacht ik. Bots (onmiddellijk) daarop schoot het door mijn hoofd: nu kan ik niet trouwen met mijn Bert, want als je zoiets meemaakt moet je in het klooster, willen of niet. Ik zat als versteend en ik maar denken wat zal mijn Bert zeggen. Het is nogal een gelovige man, hij zingt ook op het koor, die offert zijn eigen vast op en die zegt: Meisje, doe jij dat maar. Dat hoor je wel meer in zulke gevallen. Maar zelf had ik er helemaal geen zin in. Dat wist ik al heel zeker. En die traan maar druppen, langzaam, heel langzaam naar beneden. Mijn hart was maar een lijnzaad niet meer groot en het stond haast stil. Toen ineens die traan ook. Die liep niet wijder (= verder). Nee, daar gebeurde heel wat anders. Die traan ging terug naar boven. Het was een heel klein spinnetje dat ik voor een traan bekeken had. Als je denkt dat ik toen niet opgelucht was. Ik heb geen verschijning. Ik moet niet naar het klooster, ik kan gewoon met mijn Bert trouwen. Ik maakte mij algauw een kruis en ik voelde mij tien kilo lichter toen als ik naar huis vloog. Maar daar heb ik er daarom evengoed maar niets van gezegd, want nog geen twintig jaar en dan al over trouwen denken, ze zouden mij aan zien komen hebben.”