(anoniem) - De dame van de batterije

Mijn vader was een penser, een stroper, gelijk dat je weet. Altijd was hij op zoek naar wild, naar vis of naar gevogelte, en of dat nou mocht of dat dat niet mocht, daar vragen de mensen niet naar.
In de winter ging hij, als het gebeurde dat er geen werk was, putters, putters, sijzen en vinken gaan vangen met lijmhaartjes, in het schorre.
In de zomer ging hij gaan vissen in alle waters waar dat er vis in zat en in het achterjaar (= najaar) en in de winter zette hij stroppen voor de hazen en voor de konijnen.
Ze kenden hem daar allemaal voor, maar het waren toen ook allemaal pensers en stropers, al wat er in de strooien huizetjes van de zwarte hoek woonden.
Het moet in de tijd geweest zijn van de Belse (= Belgische) revolutie of daaromtrent, want er lagen Hollandse soldaten op de Batterij (een versterkt punt aan het einde van de Eversdam op de Zwarte hoek)
Met die soldaten is het begonnen. Daar stonden dan ’s nachts allemaal schildwachten op de dam, en in de verkorting, waar toen nog een ophaalbrug was en ook aan de linde, omdat ze schuw (= bang) waren dat er muiters over Zuiddorpe het land hier zouden binnenkomen.
Op een late avond diep in het achterjaar (= najaar), kwam mijn vader van Zuiddorpe af, van zijn nonkel (= oom) Guust, die die avond gestorven was. En hij kwam langs de linde naar Westdorpe gegaan. Aan de linde stond een schildwacht, een die vader staande hield. Hij moest zeggen wie hij was, waar hij vandaan kwam en waar hij naartoe ging. En hij moest ook zijn papieren laten zien, want in die tijd moest iedereen een pas hebben.
Toen vroeg de schildwacht nog waarom hij nog zo laat op gang was. Ik heb gewaakt bij mijn nonkel, want die is een uur geleden gestorven, zei mijn vader, die danig geschrokken was en ongeduldig begon te worden. En laat mij nu gaan, of ben je soms van zin (= plan) om mij hier te houden?  Hij liet hem toen gaan, maar hij was wel geschrokken van al dat gedonder. En hij was kwaad ook, en daarom stapte hij nog eens zo zeer (=rap) als anders, tot dat hij aan de batterij kwam. Daar stonden toen nog geen huizen en de weg was er slecht. Vooral omdat het daags tevoren nog veel geregend had. En denk dan eens, midden in de nacht, een lucht met zware wolken en een weg vol plassen, in moor (= modder). Mijn vader had zijn werk om de weg te zoeken en als hij geen penser geweest was, dan had hij het nooit kunnen doen.
Maar dan zou hij wel slimmer geweest zijn, en op Zuiddorpe gebleven zijn tot de andere dag.
Maar ineens, met dat (= doordat) hij in een plas getrapt had en de moor (= modder) uit zijn kloppers (=klompen) goot, stond er een wijf (= vrouw) naast hem die vraagt:: “ga je mee?”. Mijn vader dacht er direct aan dat het de Dame van de Batterij was, en het kwam zo uit ook.. Ze pakte hem vast om hem mee te nemen
“Waar naar toe?”
“Naar de kelder.”
“Ben jij de dame van de batterij?”
“Ja, ga mee en verlos mij.”
Maar mijn vader had er geen zin in en zei: “laat mij los, ik moet naar huis.” “och, het duurt maar eventjes voor u”, smeekte ze, “als je wilt.”
“En als je niet wilt, duurt het voor mij weer honderd jaar, hier dat ik op aarde iemand mag aanspreken, want het is de laatste nacht van de drie die mij in deze honderd jaar gegeven zijn.”
“Het is uw eigen fout,” zei mijn vader, “en laat mij los.”
“Ja vriend”, klaagde ze, “het is mijn eigen schuld, het is waar, maar heb jij dan nooit geen lavuiten (grappen, mooie praatjes) gehad toen je jong was.
En weet jij wat loon dat je zult krijgen als je mee gaat?”
”Nee, ik wel zo wat, maar precies weet ik het niet.”
“Al mijn schatten, drie kisten met goud, zilver en edelstenen. Ik zal u de weg wijzen en ik zal u ook weer terug boven de grond brengen. Jij zult zo rijk zijn als de zee diep is.”
“Laat mij los”, riep mijn vader voor de derde keer.
Maar met al dat gepraat waren ze van de weg afgeraakt en in de weide terechtgekomen. En daar zag mijn vader ineens een donker gat, lijk het gat van een oven maar veel groter. Het lijkt wel op een sluis Hier is het , zei de dame en hoe het nou kwam, ofwel uit nieuwsgierigheid, ofwel uit compassie (= medelijden) met dat wijf, ofwel dat mijn vader niet wist wat of hij deed, ofwel dat hij gaarne (= graag) rijk zou geweest zijn, dat weet ik niet, maar hij ging mee naar binnen in de kelder. Hij moest het nooit gedaan hebben. Ze gingen er dan in en ze kwamen in een groot vierkant hol, waar dat het niet donker was. Daar zag mijn vader drie kisten staan van ijzer. “Hier zit het allemaal in, al mijn goud en mijn ringen en mijn oorbellen en mijn broches, al mijn schatten.” En ze viel op haar knieën voor mijn vader. “Help mij, ik kan alzo niet leven en toch moet ik eeuwig leven. Ik moet sterven alzo en ik kan niet sterven en alzo sterf ik alle dagen duizend keren
en toch blijf ik leven. Neem mijn schatten, die ik oneerlijk gewonnen heb, en ik zal verlost zijn uit mijn pijn en uit al mijn miserie (= ellende). Verlos mij en neem de sleutel en open de sloten.”
Zij was opgestaan en ze hield mijn vader zijn polsen vast of haar handen ijzeren tangen waren.“Daar is de sleutel”, zei ze nog, “maar wees niet schuw (= bang).
Toen liet ze los en mijn vader zag, dat er op de middelste kist een grote zwarte hond lag, met een blinkende sleutel in zijn bek. Als mijn vader naar hem keek, begon hij te grollen en dat werd hoe langer hoe erger, het leek wel het laweit (= lawaai) van een storm of van water dat door een dijk breekt. Mijn vader was iemand die nogal gauw overal kans op zag, maar nou was hij toch schuw (= bang). Maar hij dacht dan weer aan al dat geld en hij deed een stap dichterbij naar de hond. Die begon toen harder te brullen en liet zijn tanden zien en trok zijn ogen open die licht gaven gelijk gloeiende kolen.
“Word niet schuw (= bang)”, zeurde de dame, “wordt niet schuw, hij kan niet bijten en hij kan niet slaan, als je niet schuw bent. Hij kan alleen maar brommen.” Mijn vader ging toen nog een stap dichterbij maar daar begon de hond zo hard te brullen, dat mijn vader schuw was dat het hol zou
invallen en toen merkte hij ineens dat die hond de duivel was.
“Wordt niet schuw,” klaagde de dame altijd maar, “hij doet niets.”
Hij heeft u dan toch wat gedaan?” zei mijn vader, “breng mij weerom naar boven.” Want hij dacht: “ik zal beter oppassen als dat wijf en zorgen dat ik uit zijn klauwen blijf.” In het eerst wou ze hem niet naar boven brengen en mijn vader moest het wel drie keer commanderen, en erbij zeggen dat ze het zelf toch beloofd had. Ze klaagde en schreeuwde en huilde en wrong de handen. Maar mijn vader bleef erbij dat ze hem zou terugleiden en op den duur scheen ze haar hoop helemaal op te geven, want ze wees hem dan weg naar boven.
Daar gekomen begon ze opnieuw te snikken en te roepen en terwijl mijn vader maakte dat hij wegkwam, stond ze als een vale lange gedaante op de hoogste heuvel van de batterij en riep hem haar vervloeking achterna.
“Vervloekt, jij bangerik, vervloekt jij en vervloekt uw kinderen; Mijn vader was helemaal buitenwesten toen hij in de vroege ochtend thuiskwam.
Zijn moeder werd wakker van zijn binnenkomen. “Hoe is het met Gust?”, vroeg ze. “Dood,” zei mijn vader, “overmorgen begraving (= begrafenis).”
Hij kruipt in zijn bed en hij werd ziek, alzo ziek, dat hij weken lang in ijlende koortsen lag.
En ze waren schuw (= bang) dat ze hem verspeelden (= kwijtraakten).
Ze dachten allemaal dat het was omdat zijn nonkel Guust dood was, maar dat was natuurlijk niet, dat kwam gauw genoeg uit. Want toen hij vertelde wat er gebeurd was, ging het gelijk de plaag door heel het land. En vervloekt was hij, een vervloekt bleef hij, en wij zijn ook vervloekt. Wij zijn allemaal zo arm als de luizen en mijn vader heeft op Westdorpe geen vrouw niet meer kunnen krijgen en wij ook niet.

Mijn vader heeft ons moeder moeten gaan zoeken op Assenede, waar van dat alles niets bekend was, en ik heb er een gevonden onder Absdale en die is schuw (= bang) van de duivel noch de hel, en ze noemt dat allemaal ruttepetut van die dame en ze gelooft er niets van. Maar ze heeft het ook
niet meegemaakt, lijk (=zoals) ik.