Kloosterzande - Brood bakken
(dit verhaal werd geregistreerd in 1966 in Kloosterzande)
Elke donderdag bakte mijn moeder brood. ’s Zondags was ’t dan op zijn allerlekkerst. Echt oudbakken wierd het nog in geen week. Dat kwam omdat ’t eigen terwe was. Als ’t vakantie was kon ik heel de tijd bij dat bakken zijn en dat vond ik heel leutig. ’s Woensdags begon het al. Mijn vader ging met een klein schoon baalzakje om de bakte. Hij haalde op de hoek van de molenstraat Waar de molen stond een maat meel. Hoeveel dat was zijn ik vergeten maar daar konden vier grote ronde broden van zowat een kilo van gebakken worden. Ik most (moest) om gist naar de brouwerij. Dat gistkannetje was van rood aardewerk En aan de binnenkant was het geglazuurd. Veel mensen bakten zelf en veel kleine jongens gingen om gist. Ze stonden dan boven aan de trap van de kelder te roepen Gist gist Totdat de brouwersknecht kwam
Maar als ik om gist most ging ik de trappen af naar de kelders. Regen of zon, ’t wasdaar altijd een natte nest, maar dat gaf niets, want ik droeg net als andere kinderen
Houten klompen en eigengebreide kousen vaneigens hadden wij altijd droge en warme voeten
Ik was .. 7 jaar wat vond ik die kelders groot en donker
Daar kwam maar een beetje licht in door kleine raampjes en daar was dan nog buiten een afdak boven. Het grauwde mij de eerste keer toen ik vanuit de halve dimsteren van de kelders iets groots en donkers op me af zag komen. Van benauwdheid wierd ik heel beleefd
Complimenten van mijn moeder en ik kom om twee cent gist
De dikke brouwersknecht met zijn kuutoogjes, zijn bibberende handen en een baalschort voor zijn buik keek mij eens goed aan want zoveel goede manieren was hij niet gewend. Toen mijn kannetje vol was zei hij de complimenten aan uw moeder terug. Ik zei dat zo thuis
Mijn moeder lachte en zei in haar eigen impersant … Daar zijn ik blij van.
Donderdag ‘smorgens kwam de sparrensnoeivetn. Hij hield voor ons huis stil en gooide enige bossen sparresnoei van zijn kar op de straat
Moeder hoorde het en zei tegen mij toe vraagde gij eens aan de man of ik ene paar dikke klippels krijg. Beleefd zijn, he. Ik was nog preciesjes op tijd om te zeggen man krijg mijn moeder aub een paar dikke klippels
Omdat gij zo’n braaf meisje zijt, zunne. Ge kon horen dat hij van de belse kant kwam. Mijn moeder betaalde hem en hij ging weer naar een ander
Mijn vader en onze Willem sleepten de bossen sparrensnoei tot … achterbuiten
Vuiligheid op
Mijn vader maakte ook de wissen los waar de bossen mee vastgebonden zaten. ’s middags als we de schotels gekuist hadden, zette mijn moeder de tafel van ons bakkeetje tegen de muur. De trog zette ze op twee stoelen. Die trog was een houten bak langer als breed. Hij had schuine kanten, want de boom was wat kleiner; Als hij niet gebeesd wier hing hij in de stal met zijn open kant tegen de muur.
Op de andere twee stoelen wier een plank gelegd en daar zette mijn moeder de vier ronde zwarte ingesmeerde pannen op. Het meel wier in de trog gedaan en met wat warm gist en een klein beetje zout roerde mijn moeder alles door mekaar dan gong ze de deeg kneden
Mijn moeder haar vuisten draaiden en douwden in de deeg en die wier hoe langer hoe malser
…. Mag ik ook eens
Ja, als ge eerst uw handen wast
Euh, Wat was die deeg lekker mals mijn vuistjes zakten d’er diep in
Maar toen ik eruit wou was het net of ik vastgehouden wierd
Ik kost er niet uit
Weer u, zei mijn moeder. Ik maakte mijn eigen colerig en toen kwam ik los
Ik moe wel een heel aardig wezen getrokken hebben want mij moeder moest heel veel lachten. Mijn arms en handen zaten vol met die akelige deeg en ze plakten van ens tot tenden. Mijn moeder pakte een affelke droog meel en wreef de deeg eraf. Toen gaf ze mij een polleke deeg. Hier, dat is een ovenkoek. Die zul je beter baas kunnen. Ik deed met mijn ovenkoek wat mijn moeder met de broden deed. Kneden, rollen, een klap erop en een putje erin. Ik was niet weinig groots dat hij bij de grote broden mocht liggen om te rijzen
Ze kregen eerst een schonen doek over ulder, en toen nog een donkere wollen lap. Ik geloof dat het een oude neusdoek was waar de motten gaten in gegeten hadden en die vaneigen niet meer gedrogen kon wordne
De Deeg die aan de kanten was blijven hangen wier er met een mes afgekrauwd. De trog werd in de stal gebracht en mijn moeder hing hem met zijn open kant tegen de muur
Dan deed mijn moder een baalschort aan. De mat uit de bakkeet wier buitengeleid en de Sparrensnoeitakken sleepten we erin. Het deurtje van de oven werd opengedaan en met de Rokelskodde wier de houtskool van verleden week bij elkaar gescaard en met de koolschop in de doofpot geschept. De oven was gebouwd van metselsteen en bezet met cement
Onze oven was bijna een meter diep, een halve meter hoog en zowat de helft breed
Mijn moeder stak hem vol hout. De lange takken brak ze op haar knie, daarom had ze die baalschort aan
als het hout goed droog was, was een Lucifer genoeg
maar bij nattig weer goot ze een
Schootje petrolie op de voorste takken
Het duurde niet lang of brandde als hel. Mijn moeder had haar werk om de oven bij te vullen.
Dikke klippels hielden wat beter tegen
Alles … en Knetterde in de oven en de oven wier vanbinnen hoe langer hoe witter
Maar van boven bleef er altijd een zwarte plek. Dat kon omdat deze oven niet goed gegeld is
En ik zit er nu maar mee dat ik Langer moet stoken en dat ik meer hout nodig heb
Wat is dat moeder, gegeld, vroeg ik
Mijn moeder lei (legde) het me uit
Als een oven nief gebouwd was dan begosten ze al van ’s morgens heel in de vroegte te stoken. Ze stookten heel de dag door soms tot ’s nachts in de kleine uurtjes. Dan was de oven van binnen helemaal wit. Als ’t zo weit?? was wier er een fles ingegooid en die smolt subiet
Die oven was dan goed gegeld en die was met een beetje hout heel gauw warm te stoken maar bij onze oven waren ze te vroeg uitgescheiden. Afijn, die zwarte plek bleef
Met de rokelskodde schaarde mijn moeder …. naar de kanten van de oven en toen schoof ze de pannen met deeg erin. De deeg was schoon gerezen. Mijn ovenkoek ook. Die wier van voren geleid. Het deurtje ging dicht. Mijn moeder keek eens op de lozie. Nou gaan we de bende opruimen, zei ze. Want Het ziet er hier uit nog nooit gebeurd
Eest groot vuil, ik voog met een borsteltje de hoekjes schoon.
Dan schuurde ze de stenen vloer met een dodje groene zeep aan de bessem.
Wat schuimde dat en wat rook dat lekker fris. Als ’t schoon weer was, mochtekik de stoelen naar de achterbuiten brengen om ze af te kuisen. De tafel en de kachel kregen ook ulder beurt, want dat stoken bracht veel vuiligheid mee, zille Na een tijdje blonk alles weer en van de vloer van ons bakkeetje kon je wel pap eten.
Dan ging mijn moeder koffie opschenken alweer een andere reuk en een goede, want wij haalden onze koffie bij ;;; op Klooster en die brandden ulder koffiebonen zelf. En nou gaan we der vijf nemen. Ge kon zo wel zien dat haar dat bakje koffie lekker smaakte
Ik dronk geen koffie, dat is niet goed voor kinders zei mijn moeder maar ik kreeg wel een grote eigengebakken stroopkokkien waar mijn mond helemaal vol mee zat. Zie, die was toch lekker. Dan wier het tijd om het brood uit de oven te halen. Als dat deurtje openging, wat rook dat lekker naar gebakken brood
Met de rokelskodde wieren de pannen naar voren getrokken en met een dikke lap eruit gepakt. De hete broden wierden schuin tegen de muur op de vloer gezet om uit te dampen. Mijnen ovenkoek ook. Ik kost bijna niet wachten totdat hij genoeg afgekoeld was. Om mij content te stellen sneed mijn moeder hem ‘t halven door
Hij was vaneigen nog veel te vos, maar ik had er zoveel zin in
Daar wier echte boerenboter opgesmeerd; die smolt subiet en liep in de putjes.
Dan nog platte suiker derop. Nou, dan zette ik mijn kleine sterke tandjes derin. Hmmm, … dat was lekker
Het oude brood wier vaneigen eerst opgegeten. Dan kwam het vos (vers) brood aan de beurt. We wisten goed wie zijn beurt het was voor het bovenkorstje
Maar voor dat dat eraf ging maakte mijn moeder een kruisje tegen de onderkant van het brood
Wij wisten heel goed wat dat zeggen wou: dat onze lieve heer zijn zegen aan dat brood mocht geven en dat we het in gezondheid mochten opeten als ’t god belieft.
Wat is de tijd veranderd. Der zijn geen bakkeetjes meer maar keukens of nog erger een kookgelegenheid. Het brood wat de bakker brengt laat er ons maar over zwijgen. Die mens kan er ook niet aan doen dat er bijna geen eigen terwe in zit/ maar een ding Bleef hetzelfde het kruisje met de punt van het mes.