Liesbeth Schoenmaekers - Sinterklaas op de bewaarschool
Verteld naar een verhaal van Betsy Born
Die middag was het dan eindelijk zover en alle moeders met de kinderen gingen die middag naar het sinterklaasfeest. Ik kon mijn ongeduld haast niet meer bedwingen. We hadden een week geleden de sigarenkistjes voor het snoepgoed in moeten leveren bij de schooljuffrouw. En ik had zo’n mooie grote van mijn opa gekregen, zo een van vijftig sigaren. Wat zouden we krijgen? We hadden ook allerlei spelletjes geleerd voor sinterklaas. En we zouden ook nog een cadeautje van hem krijgen. Ik was zo ongedurig (= ongeduldig) voordat we weg gingen dat mijn moeder zei: “Ga jij maar eens even naar buiten en blijf op de stoep tot ik klaar ben.” Daar stond ik dan. Het had flink gesneeuwd en de ring was spiegelglad met een paadje van zand langs de kant om te lopen. Geen mens waagde zijn eigen op de straat. Die werd ’s avonds zo glad gereden door die grote jongens en meisjes die dan in brede rijen neffen mekander (= naast elkaar), de meisjes op de slede en de jongens duwen en dan maar gillen, de straten onveilig maakten zodat alleen dokter Knops met zijn arreslee maar door de ring kwam. Die arreslee was altijd een feest om naar te kijken met op de bok de koetsier en dan het paard met zijn rinkelende bellen. Het hoorde gewoon bij het dorp als er sneeuw lag.
Daar kwam Lie aan, mijn groter buurmeisje van verderop, met de slee. Dat was niet zomaar een slee. Nee, dat was zo’n grote hoge ijzeren met latjes bovenop, door haar vader gemaakt want die was smid. De meeste sleetjes waren veel lager en dan van hout.
Dus toen Lie vroeg of ik een eindje meewou op de slee was dat tegen geen dovemansoren gezegd en ik glunderend mee. We reden door zoveel straten dat ik heel de tijd vergat en toen we terugkwamen was de deur dicht en mijn moeder weg. Ik aan het schreeuwen, zodat Lie zei ik breng je wel naar school. Daar was geen mens meer te zien en ook de deur dicht. Ik weer aan het schreeuwen. Toen heeft Lie me maar even in de klas gebracht waar iedereen al op zijn plek zat. Bel, bel, daar is ze dan. Tot grote opluchting van juffrouw Dorst en mijn moeder die er maar niets van begreep waar ik was en ze waren al met de spelletjes begonnen. En toen ik mijn neefje Frans met zijn kruiwagentje zag lopen, roepende “kersen, mooie kersen te koop” was ik gauw mijn tranen vergeten en ging ik helemaal op in de sinterklaasvreugde.