Annie Hage - Smoutebollen
Het was de 23ste december en zoals iedereen weet zou het over een paar dagen Kerstmis wezen. Griet en Jan zaten in huis. Zij zette een stuk in Jans boezeloen (= kiel) en hij zat bij de plattebuiskachel met zijn ene voet er vanonder tegen, zijn andere op de sport van zijn stoel, zijn pijp in zijn mond en met zijn rug een beetje schuinsachtig naar de lamp, want hij had de krant in zijn handen. Die lazen ze met hun vijven: Kees van Sien, Willem Kool, de Spreeuw, de scheve Ko en hij. Veel van lezen was Jan niet en in zo?n krant stond er ook een heleboel waar hij toch niets om gaf, zoals het feuilleton en berichten uit het buitenland, maar de advertenties en de ongelukken en zo, die las hij toch en daar had hij gemeenlijk (=gewoonlijk) meer dan een uur werk over, want lezen dat is een ding dat je veel moet doen. Anders gaat dat niet zo erg vlot. Maar afijn, het ging toch en somtemets (= soms) las hij Griet wel een eindje voor. “Ik lees wel niet als een dominee”, zegt hij, “maar …” “Dominees, die lezen niet, die preken”, meende Griet. Hij zweeg als hij las, natuurlijk. En zij zweeg.
En verleden week had hij ook zo?n beetje zitten lezen dat zijn krant op de buis van de kachel lag en zijn hoofd lag zo ja en nee op de kachelroede. Totdat hij ineens goed wakker schrok, doordat Griet riep: “Jan, pas toch op! Je broek smelt en je krant rookt. Vandaag of morgen vlieg je nog eens in brand, jij, vlak bij die kachel.” “Ik zat te lezen”, bromde Jan. “Ja, dat begrijp ik, maar hou er dan in het vervolg je ogen bij open en zorg ervoor dat je pijp niet uit je mond valt! Kijk, daar ligt hij, bij de koolbak.” Maar nu was hij wakker, want hij las iets dat hij … “nee maar, … zeg, Griet, lust jij oliebollen?” “Smoutebollen, zul je bedoelen. Ik wel.” “Jij. Ja, maar er staat oliebollen.” “Nu, waar staat het?” “Hier zo, in de krant. „recept voor oliebollen?”. “Dat zijn smoutebollen.” “Zou jij het kunnen?” “Bakken? Waarom warentig = waarempel) niet? Moeder deed het alzeleven (= altijd) als vader verjaarde en met Kerstmis gebeurde het ook wel eens. Lees eens.” “Eén pond bloem, och, blom dus, terweblom - twee ons krenten, drie onzen rozijnen, wat gist, melk en een weinig sukelade (= chocolade).” “Sukelade?” “Denk je dat ik niet lezen kan? Bakken in olie of vet.” “Sukelade mijn heden, sukelade in smoutebollen daar heb ik nog nooit van gehoord.” “Ja jij, maar je begrijpt natuurlijk, in zo?n krant zetten ze niet zomaar ordinaire arbeiderssmoutebollen, het zijn er op hun burgers, dat spreekt vaneigens (= vanzelf). Maar dat ze lekker zullen wezen, daar kan je wel van op aan. Ik zou ze wel eens lusten met Kerstmis. Jij niet?” “Ik wel.” “Wel nu, doet dat dan eens. Ik zal bij de bakker de spullen er wel voor halen. Chocolade hebben we nog een beetje van de Goese markt. Maar wat voor olie zouden ze bedoelen?” “Och, moeder deed dat gemeenlijk (=gewoonlijk) in darmvet en die van jou?” “Ik weet het niet. Ze deed het niet dikwijls. Doe je het dan?” “Mij goed.” “Dan ga ik er morgen om. Zou Wannesje …” “Ben je nu toch niet wijzer, een kind van vier maanden smoutebollen! En weet je wat ik doe als ik ze geroerd heb?” “Geroerd?” “Nou ja, als het deeg klaar is” “Ja, bakken zeker”. Maar nu schoot Griet in de lach. “Nee, maar dan zou jij lekkere smoutebollen eten, mijn jongsje. Moeten ze dan niet rijzen, zeker? Anders zijn ze zo zwaar als een slijpsteen. Ze moeten rijzen en dan zet ik ze in Wannesje zijn wieg. Het deeg, hé. Aan het voeteinde in die stenen teil die ik van de zomer gekocht heb bij die vent met zijn ene arm.”
Je merkt dat Griet en Jan nog niet zo heel lang getrouwd waren. Je kan het wel zo?n beetje uitrekenen, want Wannesje was gekomen toen ze bijna elf maand getrouwd waren. Ze woonden een eindje buiten het dorp en ze waren zoals je ziet met zijn drieën. Als je tenminste
de kat niet meerekende. Jan en Griet rekenden ze niet mee. Maar daar konden ze nog wel eens anders over gaan denken.
Nu goed, de andere dag ging onze maat naar het dorp. Voor de securigheid (= zekerheid) had hij de krant maar bij zich gestoken in zijn binnenzak. Dan hoefde hij niet benauwd (= bang) te wezen dat hij wat zou vergeten. Hij trof het, want hij was de enige in de winkel van de bakker. Betje hielp hem en Jan las duidelijk voor wat hij nodig had, want Griet zou voor Kerstmis vanachtermiddag smoutebollen bakken, zei hij. “In reuzel doet ze het, die hebben we nog.” “Smoutebollen”, vroeg Betje “met sukelade, daar heb ik nog nooit van gehoord. Staat dat daar?” “Kijk, lees zelf maar.” “Su … su … och sukade, maar geen sukelade, je hebt niet goed gekeken. Hoeveel moet je daar van hebben?” “Tja, dat weet ik ook niet. Daar heeft Griet niets van gezegd. Ik dacht van su… maar, zou dat daar beslist in moeten?” “Het kan er gerust uit blijven. Kijk, dat is de bloem, de rozijnen, de krenten, vijf cent gist, dat is … laat eens zien, dat is negen cent, eenentwintig, tien, en vijf, dat is net precies negen stuivers.” Jan betaalde, deed alles in zijn zakje en ging ermee op stap.
“Als we nu gegeten hebben, dan zal ik ze eerst roeren,” zei Griet, “dan verdonkeren we niet.
Want bij de lamp is het niets waard. Dan kun je niet goed in de pan kijken of dat ze bruin genoeg zijn. Ik zal zien dat ik om een uur of twee begin. Zoek jij nu de krenten en de rozijnen uit. Al de steeltjes eraf, de stokken eruit en kijk dan nog goed of er geen stenen inzitten. Hier zo vlak bij het raam.” Jan begon maar hij was nog maar een stuitje (= eindje) doende of hij zei: “bah, mijn vingers kleven van die krenten als de flikker.” “Och, wacht, hier heb je de schoteldoek (= vaatdoek), daar kelf (= schoonvegen) je ze maar aan af. Zoals Griet gezegd had, deed ze. Goed een uur was ze aan het roeren en Jan zat er vlakbij. “Haal je vuile pijp weg”, zei ze, “als je as erin smost (= morst) is het te laat.” Maar Jan paste wel op. “Zie zo, dat is klaar. Nu .. zou hij slapen?” Jan keek even door het horretje (= spleetje) van het wiegenkleed en hij zei: “Hij slaapt als een varkentje”. “Voorzichtig nu maar, hier, ik zal de dekentjes een beetje oplichten. Zo.”
Jan ging naar het hof om een zode (= hoeveelheid voor één maaltijd) spruitjes te trekken en als hij daarmee klaar was moest hij nog een beetje kachelhout kappen en een emmer met eierkolen gereed zetten, want morgen was het Kerstmis. Nu precies kwam hij met zijn eierkolen aan het straatje bij de achterdeur toen als er twee guus (= kinderen) kwamen met de konkelpot (= rommelpot). Griet had ze zeker ook al gezien want ze stond al in het deurgat. “Mogen we alstubieft eens …?” “Ja, konkel jullie maar zo, jullie zijn toch ook maar arme guus (= kinderen)”, en de twee kinderen zongen en ze konkelden dat het een lust was en ze kregen ieder een halve stuiver van Griet. “Als je nu een uurtje later gekomen was, had je heerlijke smoutebollen kunnen krijgen, maar ik moet ze nog bakken? Maar als het is … Als je over een uur … moet je nog ver wezen?” “Ginder bij die huisjes en dan ginder nog achter de dijk.” “Nou dat komt dan goed uit. Dat is nog een heel eindje. Als je dan wederom komt, dan zul je er ieder een hebben, een warme.”
De guus (= kinderen) gingen maar ze waren op zijn best goed en wel op de grindweg of Griet verschrikte (= schrok) haar eigen een ongeluk. “Gauw gauw, Griet”, hoorde ze Jan roepen, “een ongeluk, gauw toch.” Ze stuikte (= viel) over het vuilblik en ze stuikte zo het huis binnen. Daar stond Jan bij de wieg met iets in zijn rechterhand, maar ze zag zo gauw niet wat het was. “Die miserabele kat”, riep Jan, “die beroerde aap. Kijk nu toch eens.” Griet stond met haar mond wijd open, stokstijf. Nu zag ze het. Grote klodders deeg, koekendeeg dropen van de kat zijn poten en zijn staart zomaar op de matten, lange lange drellen (= slierten). Je kon er zo gauw geen kat meer uit kennen maar hij spartelde met zijn poten. Jan hield hem nog altijd
bij zijn deegnek. Als ik met mijn gemoed tewerk ging, dan neep ik de smeerlap zijn kop eraf”, schreeuwde hij, “die lamme dooie doerak is alweer in de wieg gekropen, diep onder de dekens, onder Wannesje zijn dekens en zo in de smoutebollen. Wat nu?” “?t is wreed”, kwam er met moeite uit Griets keel. “Wreed, het is een schandaal, die luie heer ginder, dat heb je er nu van. Ik heb je al zo dikwijls gewaarschuwd. Mieter hem uit die wieg. En nu zie je het eens.” “Och al deeg, meer dan de helft kleeft er aan zijn smerige flikker. De teil is …” “Zou je het er niet een beetje af kunnen krabben met de rug van het broodmes?” “Foei, smoutebollen met kattenhaar, ik zou er geen een van lusten. Laat hem nu maar gerust. Nee, nee, niet hier in huis. Gooi hem buiten, zo ver als dat hij vliegen wil. Dan kan hij zichzelf aflikken en als hij het hart in de ziel heeft om wederom te komen, sla ik hem met de pook de nek in.” “Daar zitten we nu wel en dat kleine beetje hier.” “Denk je dat ik daar nog wat van zou lusten. Wie weet wat die vuilpoes daarin gedaan heeft en kijk eens op Wannesje zijn dekens. Het zijn allemaal krenten en rozijnen. Nu heb ik wel wat anders te doen dan smoutebollen te bakken. Ga maar gauw uit de weg. Pas op, je hebt deeg aan je kousen. Kijk maar uit waar je trapt. Ik heb nog geen troep genoeg zeker!” Over een stuitje (= eindje) kwamen de guus (= kinderen) met de konkelpot maar Griet zei: “Ik ben er nog niet bezig. Hier hebben jullie ieder een grote babbelaar.”
Zo zie je hoe Jan en Griet wel degelijk gewaar werden dat er een kat in huis was. Jan had nog een plezierige kerstmis, Griet had het ook glad (= helemaal) niet naar haar zin, en de kat die lag op de 25ste december de hele dag achter de kachel, schoon, met een buik zo dik dat Jan zei: “Kijk eens naar hem, Zijn pook is nog zo dik als een ton, die heeft wel een plezierige kerstmis. Maar wij kunnen het zonder smoutebollen doen en dat is jouw schuld, akeligheid”.