Kees van Boven - Jaan en haar rijbewijs

Jaan en Merijn woonden al jaren op een achterhofje in de Spieringpolder, Dat was een behoorlijk eind van het dorp vandaan. Als Jaan boodschappen moest doen, ging ze meestal op de fiets, want Merijn had doorgaans geen tijd om even met haar naar het dorp te rijden als ze wat uit de winkel moest hebben. Ja, ze had wel een autootje maar Jaan had geen rijbewijs, vandaar. Dat ze zelf niet kon rijden dat zat Jaan al lang dwars en ze had al geruime tijd bij Merijn aan zijn kop lopen zeuren dat ze rijles wou gaan nemen.

Haar vent (= man) zag dat glad (=helemaal) niet zitten. Hij riep alsmaar: “Jaan als jij gaat rijden dan vallen er doden.” Merijn wist hoe Jaan was natuurlijk, behoorlijk driftig en zo dwars als een sikkel. Hij zag het al voor zich: Jaan in zijn auto, vierkante bochten en om het half jaar een nieuwe versnellingsbak. Maar Jaan bleef maar aanhouden: “ ik moet alsmaar met weer en wind dat eind fietsen als ik naar het dorp moet en als ik ’s avonds naar de vrouwenvereniging ga, ben ik er glad niet voor dat eind in het donker door de polder.”
Afijn, eindelijk had Merijn dan maar toegegeven en Jaan ging op rijles. Die rij-instructeur had Jaan al vlug ingeschat, want de tweede keer dat hij voor de deur kwam had hij zo’n extra remlicht achter het raam laten zetten. Na dertig lessen werd dan eindelijk het examen aangevraagd. Aanstaande vrijdag moest Jaan examen doen. De hele ochtend had ze deur uit huis lopen drissen (= heen en weer lopen). Van de wekelijkse vrijdagse beurt was niets terechtgekomen. Ze was nog bezig geweest om de stoep te schuren, maar ze goot meer water in haar klompen dan over de straat en aan de ramen zemen is ze glad niet toegekomen. Eindelijk was het dan zover. Daar stond de lesauto voor de deur en met het zweet in haar handen reed Jaan naar Goes.
Om een uur of zes was ze weer terug en Merijn stond al op het padje te wachten toen Jaan uit de auto stapte. Toen ze ernaast stond, wist Merijn al hoe of de vlag erbij hing, een gezicht als een zware onweersbui en zonder op of om te kijken stoof ze de keuken in. Een paar uur later heeft Merijn pas gevraagd hoe of het was gegaan, maar dat had hij beter niet kunnen doen want toen kwam het onweer pas goed door. Het was allemaal de schuld van de fietsers en die examinator had er totaal geen verstand van. Merijn knikte maar eens en zei dat ze beter kon stoppen, maar dat had hij natuurlijk niet moeten zeggen want toen leek het wel of de bliksem was ingeslagen. Dat rijbewijs zou ze halen, al moest ze er twintig keer over doen, punt uit.
Afijn, na een jaar en nog drie examens had ze het dan eindelijk gehaald, zo groots als een juin (= trots als een paus) stapte ze binnen. Dat had ze hem dan toch maar gelapt. Na een uur en twintig telefoontjes was het gesnater een beetje verstomd en Merijn zat al op het bericht te wachten en jawel hoor, daar kwam het. Zondag rijden we naar Wolphaartsdijk naar mijn zuster en volgende week ga ik zelf naar het dorp om de boodschappen met de auto. Merijn bromde nog zo iets van krassen en stoepranden maar hij hield verder wijselijk zijn mond want wat Jaan in haar kop had, zat niet in haar kont.
’s Zondags na de koffie stond Jaan al klaar. Merijn had de auto al voor de deur gezet met zijn neus naar de goede kant. Daar reden ze dan over de dijk en door de polder richting Wolphaartsdijk. Op de dijk net voor dat ze er waren, hoorden ze een knal. “Stoppen”, riep Merijn. Jaan gaf een trap op het rempedaal dat Merijn zowat met zijn kanus door de voorruit vloog. Wat of er gebeurd was? Geen van tweeën wist het. Merijn zei: “ik zal eens gaan kijken”, want dat er wat niet pluis was, wist hij wel zeker. Met haar handen stijf aan het stuur zat Jaan te wachten tot Merijn weer instapte. “En”, vroeg Jaan, “wat was het?” “Oh”, zei Merijn, “het was
maar een fles.” “Een fles, maar ik heb glad geen fles gezien”, riep Jaan. Nee, dat kan ook niet, zei Merijn, want die zat nog bij die vent in zijn rugzak.