Faasse - De grote schoonmaak en de pruimtabak

verhaal van Ria Hoogesteger-Geijs (Zuid-Beveland)
Elk jaar als het voorjaar er aankwam, dan moest Kee er weer aan denken. Tjonge, dat had ze toch maar goed voor mekaar gekregen bij Pier. Dertig jaar aan een stuk had hij tabak geknauwd en de grote schoonmaak had er een einde aan gemaakt. En zo was het gekomen!
Kee deed net als ieder fatsoenlijk vrouwmens de voorjaarsschoonmaak. Ze zag er altijd wreed (=erg) tegenop. Het was dan maar niet niks ook, heel je kot van onder tot boven uitkrauwen (= grondig schoonmaken). Maar ja, het hoorde er nu eenmaal bij hé. Het ergste van al was in die weken het humeur van Pier. Hij kon er niet tegen als Kee alles op z’n kop zette. Nergens mocht je aankomen, overal stond er wel wat en je kon niet eens in je eigen zekelstoel (= leuningstoel) zitten, want als er geen gordijnen in lagen, dan wel kussens of wat anders. Pier zei dan ook dikwijls tegen Kee: “Mens hou er toch mee op, het is glad (= helemaal) niet nodig. Je kelft (= maakt schoon) toch elke week de boel prontjes (= netjes) op.” Dat was ook wel zo, maar Kee luisterde toch niet naar Pier en ging net als iedereen gewoon elk jaar weer beginnen, maar wel met tegenzin.
Het begon als het goed en wel maart was, want voor Pasen moest je toch eigenlijk aan kant wezen. Je begon op zolder waar dat de guus (= kinderen) sliepen. Die vonden het altijd wel plezierig als moeder de zolder deed, want dan mochten ze de laatste zoete appeltjes opeten, die dat daar de hele winter gelegen hadden. Ze durfden natuurlijk toch wel eens af en toe een gedroogd appeltje te pakken, maar je moest wat kunnen verdragen. De guus sliepen op stromatrassen, die gingen dan naar buiten om te luchten. De dekens hingen aan de lijn, dan koppekramen (= spinnenwebben verwijderen), de balken soppen, de vloer schuren en dweilen en dan als het droog was, alles weer wederom naar de zolder sjouwen.
Dan kwamen de bedsteden aan de beurt. In de ene sliepen Kee en Pier en in de andere lag grootmoeder, maar die ging bij de schoonmaaktijd altijd naar moe Tanne. Die was maar alleen en dan was grootmoeder uit de slagen. De zaterdag voordat Kee de bedstee deed, veegde Pier de vloer. Daar lagen altijd nogal wat schoten van de patatten (= aardappelen) die daar de hele winter gelegen hadden. Buur Clazien hielp altijd even om het pluimbed naar buiten te brengen. Daar kon Kee alleen geen baas over. Ze zette dan vier keukenstoelen op de bleek en dan legden ze samen het bed erop. De rest deed Kee dan weer zelf. Ze deed de bedsteeplanken naar buiten en schuurde die lekker af met sop en dan afgooien met schoon water. Dan moest er kalk gemaakt worden, dat deed je meestal in een oud testje (= teiltje) en dan met een goede kalkborstel lekker de muren kalken. Dat knapte de boel wel op hoor en fris ruiken deed het ook. De beddetieke (= beddenzak) moest soms wel eens vernieuwd worden. Dat was een heel karwei. Maar als het pluimbed dan weer terug lag in de bedstee, dan lag je ’s avonds lekker hoog. Dat vond Pier ook altijd en hij kroop dan een beetje dichter tegen Kee aan als dat hij gewend was. Maar Kee die was zo moe als een puit van al dat poetsen, dus die duwde Pier een eindje weg en zei: “Ga nu maar lekker slapen.” Pier draaide dan z’n eigen van armoede maar naar de pas gekalkte bedsteemuur toe.
De spinne (= kast) was ook altijd een heel werk met al dat spinnegoed (= kastgoed): kommen, schotels, glaasjes… alles afwassen, nieuwe kastrandjes er in en natuurlijk alles weer prontjes (= netjes) terugzetten.
En dan kwam het grootste karwei: de huizen (= de woonkamer), daar stond het een en het andere in natuurlijk. De buizenkachel moest weg en die moest dan naar het schuurzoldertje. Voordat dat gebeurde moest hij eerst lekker opgepoetst worden met kachelpoets, want daar was in de winter nogal eens een kaaskorstje op gebraden. Dat kon veel stinken en gaf vuile plekken op de kachel. Als de kachel weg was, veegde Pier de schouw en als de huizen aan kant was, werd de schouwloper weer gelegd. Maar voordat het zo ver was, kwam er nog heel wat kijken: de zolder afdoen bijvoorbeeld, dat was wel het zwaarste werk, elke keer die trap op en af. En al de stoelen boenen, inwrijven en uitwrijven, koper en zilver poetsen… mensen toch wat een werk!
Het allerergste was wel de pruimpot van Pier. Die stond altijd in een hoekje vlak bij de zekelstoel (= leuningstoel). Afijn, Kee kon er niet op kijken, laat staan om hem schoon te maken. Ze had al wat afgeprakkiseerd hoe dat ze Pier van het pruimen af kon krijgen maar hij liet het maar niet. Nu wist Kee al jaren dat Pier zo’n hekel aan de schoonmaak had. Soms zei hij dan tegen Kee als het voorjaar kwam: “De perenbijen (= wespen) gaan weer vliegen, geloof ik.” Hij bedoelde dan dat Kee chagrijnig was vanwege de schoonmaak die eraan zat te komen. Kee kreeg op een gegeven moment toch een idee. Op een goede avond toen als het voorjaar weer in de lucht zat, begon ze er over. Pier zat lekker achter de buizenkachel met z’n kousen tegen de pot en met een lekkere grote pruim in z’n mond de krant te lezen. Kee zei:”Zeg Pier, nu moet je eens even je krant wegleggen en spuw die pruim nu maar eens uit. Trouwens, het kan best je laatste pruimpje wel eens wezen, want ik heb een plan. Jij hebt altijd zo’n hekel aan die schoonmaak hé...” Pier reageerde direct: “Dat is ook van geen wonder, het hele kot op stelten, jij elke avond zo moe as een hond en dan al die luchtjes van kalk, spiritus en boenwas. Bah, ik vind het niks.” “Juist”, zei Kee, “ik weet dat jij dat vindt, maar ik vind ook wat. Dat pruimen van jou, daar moet nu toch eens een einde aan komen. Ik vind het toch zo smerig hé, altijd die vuile, bruine tanden, dat bruine straaltje langs je kin en dan die ijselijke, vuile pruimpot bij je stoel. Het moet nu maar eens klaar wezen. Wat zou je er van denken als je eens stopt met pruimen. Als jij stopt, dan hou ik op met die grote schoonmaak.” Hè, dat was eruit bij Kee. Daar had ze nu zo lang op zitten broeden. Pier die keek of dat hij het in Keulen hoorde donderen. Hij trok ogen als theeschotels. Zijn krant viel op de grond en hij stamelde:”Kee nu toch, maar dat kun je me toch niet aandoen. Ik pruim al van mijn veertiende. Ik kan dat glad (= helemaal) niet missen.” Toen zei Kee resoluut: “Pier, het is nu woensdag. Ik geef je de tijd tot zaterdag en dan is het het een of het andere.” Zo, die Kee, die kwam door! Pier was zo beduusd dat hij niet meer in zijn krantje keek en al vroeg de bedstee in dook. ’s Nachts droomde die over de grote schoonmaak van Kee. Ze vloog door de huizen (= woonkamer) met de kalkborstel. De pluimen van het bed vlogen overal. De rode neusdoek die dat ze altijd op had voor de koppespinnetten (= spinnenwebben) hing glad over haar voorhoofd. In zijn droom zag hij ook dat Kee in plaats van zijn pruimpotje een grote stomer neerzette en dat ze bij Kloos Lamper twintig pakjes pruimtabak kocht. Toen dat hij ’s ochtends wakker werd, keek hij gauw of dat Kee toch wel naast hem lag. Maar, o gelukkig, ze lag nog lekker te slapen. De witte kantjes van haar nachthemd staken mooi af tegen haar roze kaken. Wat was Keetje eigenlijk nog een mooi wijfje, hé. Ze had nog glad geen rimpels. Maar, kijk haar handen, wat waren die ruig zeg. Kloven had ze bij haar duimen. Zou dat nu van dat ruige werk komen? Pier vloog overeind, nu wist hij het zeker. Kee moest niet meer schoonmaken en hij zou gelijk stoppen met het pruimen. Het zou wreed (= erg) veel zeer doen zo zonder pruim, maar voor Kee moest hij toch eigenlijk alles over hebben. Zo zat Pier een beetje in z’n eigen te prevelen toen dat Kee wakker werd. “Maar Pier tegen wie zit jij nu te praten?”, vroeg ze direct. “Tegen jou Kee”, zei Pier, “wat ben jij toch nog een mooie vrouw. Ik heb vannacht wreed (= erg) gedroomd en toen dat ik wakker werd, besefte ik pas eens wat dat jij voor mij betekent. Ik hoef niet te wachten tot de zaterdag. Mijn besluit heb ik genomen:
mijn pruimtabak gaat de deur uit. Die paar pakjes die ik nog heb, die krijgt buurman Koppejan, die kan bij dat huishouden van zestien guus (= kinderen) geen pruimtabak kopen en ik …. ik heb het niet meer nodig. Ik heb jou. Maar een ding Kee, dan hou jij op met de grote schoonmaak hé. Je houdt de boel toch prontjes (= netjes) bij elke week en schoon is toch schoon hé. Trouwens je mag toch zien dat hier mensen wonen?” Kee haar mond viel open van verbazing. Ze sloeg haar armen om Pier heen en gaf hem een kus. Wat was ze blij. Zo gezegd zo gedaan. De pruimpot kwam op de assenbak terecht achter in het hof en de tabak ging naar de buurman. Pier z’n tanden werden met de week witter en Keetje haar handen zo zacht als groene zeep. Als Pier ’s avonds dicht tegen haar aan kwam liggen, schoof ze hem geen eindje meer van haar af. Zo zie je weer maar wat dat een vrouwspersoon bereiken kan.