Anja Kopmels - Schelpen zoeken
Met de hele kroo (= kudde) lopen we over het strand. Vader, moeder, m’n broer, m’n zus, ik, de aanhang en de guus en drie honden. Het is goed om eens lekker uit te waaien en je longen vol met zeelucht te zuigen. Iedereen vermaakt zijn eigen. Het is al behoorlijk fris, maar de zon schijnt. De guus proberen hoe goed als de schoenen tegen zeewater kunnen. Maar als er een verzint om schelpen te zoeken komen ze weer op het droge zand. De ene na de andere schelp wordt geraapt en in een plastieken zak gedaan. Oh, maar er ligt nog veel meer als schelpen: een groot krabbenschild, mooie zwarte stenen soms met een afdrukje erin, zee-egels, de guus blijven rapen en het meeste moet mee. Dus de plastieken zak gaat al aardig wegen. Zelf moet ik ook altijd zoeken. Ik vind het een van de mooiste bezigheden. Laat voorbijgangers denken dat ik in gepeins verzonken ben of chagrijnig naar beneden loop te kijken, weet dan nu: ik zoek schelpen. Elk steentje, schelpje of krukeltje (= alikruikje) dat ik opraap bekijk ik goed. Ik denk er ook altijd van alles bij. Waarom raapte ik deze op? Om de kleur, om de vorm. Maar hij is niet gaaf. Er is een stukje af. Doe ik hem weg of niet? Het kost soms nog moeite ook om dan zo’n schelpje weer in het zand te gooien. Er lopen wel mooie streepjes over, denk ik dan. En dan hou ik het nog wat langer vast. Ik zal meteen wel kijken wat ik er mee doe. Als kind deed ik dat ook al zo, toch bewaren, al is er een stukje af. Maar wat als kind ..., op het moment dat ik zo over het strand loop en met die schelpen bezig ben, ben ik weer een kind en stikgelukkig (= zeer gelukkig). Uren of tijd bestaan niet, je loopt maar wat te dromen en te denken. Geen mens treedt in je wereld. Schelpen zoeken is mijn eigen (= mezelf) vinden.