Jopie Minnaard - Ik wacht op mijn dochter...
Ik zet mijn fiets in het fietsenrek en laat mezelf door de draaideur mee naar binnen voeren. Voor me ligt de lange donkerrode gang als een rode loper voor me uitgerold. Halverwege zie ik meneer De Wilde aankomen sjezen in zijn rolstoel. Een vertrouwd beeld. Hij slingert en hij zwabbert, hij probeert zo hard mogelijk vooruit te komen. De Wilde! Hij doet zijn naam eer aan. “We laten hem maar een beetje gudderen (= rondscharrelen), had het hoofd van de afdeling gezegd, “Hij heeft nog nooit iemand van de sokken gereden, dus… Hij denkt dat hij aan het motorcrossen is, dat heeft hij vroeger gedaan”. Ik steek mijn hand maar eens op. Hij gebaart van niks. Een eindje verderop kijkt het magere vogelkopje van mevrouw Knuit vanachter de deur. Als ik dichterbij kom, trekt ze zichzelf angstvallig terug, haar handtasje stijf tegen haar lijf aangedrukt. Altijd even wantrouwig, altijd op haar hoede. Ik ben weer in een wereld van onbegrip terechtgekomen.
Voorzichtig duw ik de deur van kamer 307 wat verder open. Ze is net de laatste hapjes pap aan het voeren… aan mijn moeder. Een jong meisje nog, ik heb ze nog niet eerder gezien.
“Opperdepop” hoor ik haar zeggen, en behendig fleert (= veegt) ze moeder haar mond droog.
Ze stelt zichzelf voor en vertelt dat ze er nog maar net is. “Is dat je moeder?” vraagt ze. Ik knik.”Dan zal ze blij wezen, want ze zegt maar een zinnetje elke keer: ik wacht op mijn dochter. Anders zegt ze glad (= helemaal) niks hoor. Nou mevrouw, ze is er hoor” Nog een laatste fleer en parmantig stapt ze de kamer uit. Een lief ding, maar dat “opperdepop!”…. Ze moet nog veel leren…..
Moeders ogen kijken in een ruimte waar dat ik geen weet van heb. Onrustig plukt ze aan de knopjes van haar bloes. “Ik zal je vest maar in de kast leggen, ik heb er nieuwe knoopjes aangezet. Er waren er drie af zeg!” Och ja, ik raas ook maar wat, om die stilte niet zo te voelen. Ze zie me niet, ze kent me niet, ze weet niet eens dat ik in de kamer ben. “Ik wacht op mijn dochter”…Zonder emotie klinkt het. Ik reageer niet…ik ben het gewend. Ik schuif mijn stoel tot vlak bij haar rolstoel. “Ik heb chocolade meegebracht, dat vind je lekker hé?” Ik wacht niet op antwoord want ik weet dat dat toch niet zal komen. Ik breek de chocolade in kleine stukjes en steek een stukje in haar mond. Langzaam zie ik haar mondhoekjes bruin worden en een fijn dun struiltje (= straaltje vocht) loopt naar beneden. Mijn gedachten gaan terug naar de tijd dat ik zelf nog klein was. “Zeg, eet jij eens een beetje netjes, dat heb ik je toch wel anders geleerd !” Ik hoor het haar nog zeggen….. “Zeg, eet jij eens een beetje netjes…..…” “Je neemt toch zelf ook wel?”……Ik vlieg overeind. Mijn hart maakt een sprongetje. Ja weet je, het laatste half jaar heeft ze niks anders gezegd als dat ene zinnetje: “ ik wacht op mijn dochter”. En nu…is er nu toch iets van herkenning… even maar dat vertrouwde weer terug, dat zorgzame: “ je neemt toch zelf ook wel”? “Ja vaneigens (= natuurlijk), ik lust het ook, dat weet je wel, hé!” …. Zou ze me kennen…. zou ze me kennen !!!…. “Ik wacht op mijn dochter”. Mijn opwinding maakt plek (= plaats) voor woede. “Ik ben er toch! Ik ben toch je dochter! Kijk dan, kijk dan!!!” Haar ogen worden groot van angst. Wild trekt ze aan de knoopjes van haar bloes. Haar bovenlijf zwiept heen en weer. “Ik wacht op mijn dochter” Klein en beverig komt het naar buiten……. Ik kan mijn eigen wel wat doen!…. “Stil maar, je dochter komt zo, ze is er weer zo…je dochter”…
Ik wacht tot als haar handen weer roerloos in haar schoot liggen en dan voer ik haar weer. Kleine stukjes chocolade. Een stukje woede, een stukje wanhoop, een stukje verdriet en ik verwacht niks meer. De tranen prikken in mijn ogen als ik in de gang tegen het hoofd van de
afdeling opbots. Even legt ze haar hand op mijn arm. “Zeg, ik ben zo blij, da je zo dikwijls naar je moeder komt. Weet je, ’s ochtends dan is ze zo onrustig, zo ongedurig en dat val niet mee hoor. Maar ’s middags als jij dan weer geweest bent, dan is ze weer zo rustig en zo tevreden. Ik knik. Ik vertrouw mijn eigen stem niet. Bij de draaideur roept ze nog een keer: “eerlijk hoor dan is ze weer zo rustig en zo tevreden, dat krijgt alleen een dochter maar gedaan”.
Ik laat mijn eigen weer door de draaideur mee naar buiten voeren. Op mijn fiets word ik langzaam weer rustig, maar tevreden…….nee.