Bertus Limonard - Een grote zwarte kat

Eindelijk een complete sage van de schoutin van Kwadendamme. Ik heb het genoemd „een grote zwarte kat?. In de middeleeuwen was de Zweeke de beste vaarweg vanaf de Westerschelde via de Schenge naar Middelburg. Deze Zweeke is hoe langer hoe meer verzand en was op de duur niet meer te bevaren en ze hebben er hier en daar dammen in gelegd om zodoende kleine en grote polders te maken. Een van die kleine poldertjes werd de oude veenlandpolder. De westelijke dam van die polder brak almaar door, maar in 1473 is het gelukt. En algauw werden er aan die dam huisjes gebouwd. De mensen die daar woonden, noemden dat plekje vanzelf De kwade dam. Wij zeggen nu Kwadendamme. Hier en daar verschenen in de polder wat boerenhoeven en het dorpje bleef groeien met nog wat ambachtslui en vanzelf arbeiders en zoals overal in die tijd waren er veel arme mensen en een ervan was bijvoorbeeld Griet Wezenpoel, kromme Griet. Ze woonde net buiten het dorp aan de dijk in een heel klein huisje met een perenboompje voor het raam en ze had ook nog een klein hofje voor een paar kroppen sla en een bos of wat patatten (= aardappelen). Voor de rest moest ze leven van de armen en wat ze hier en daar bij mekaar wist te schooien. Als het een beetje weer was, stond ze dikwijls over de onderdeur geleund met een grote zwarte kat op haar schouder. De mensen op het dorp zeiden dat Griet met de zwarte kunst omging. Ze waren er eigenlijk een beetje benauwd van en ?s avonds in het donker liepen ze er altijd met een boogje omheen.
Omdat Kwadendamme bleef groeien werd van hogerhand op de duur een schout met schepenen aangesteld om de boeren een beetje in de reeke (= in orde) te houden en de schout werd vanzelf een nogal grote boer met een grote mond. Die woonde op een boerenhoeve op de nieuwe weg die er gekomen was naar Ter Goes, het Langewegje. Meindert Wiskerke, de schout, was eigenlijk een schoft van een vent. Hij was gekozen omdat hij toch altijd al een grote mond had en zijn eigen overal mee bemoeide. Hij was een echte zwetser en dikwijls zat hij meer in de herberg als thuis op de hoeve
Er kon in het dorp niets gebeuren of Meindert bemoeide er zich mee. Hij had een hekel aan arme mensen en nu dat hij de macht gekregen had, liet hij geen kans voorbij gaan om flinke straffen uit te delen. Dat heeft Kromme Grietje dan ook goed ondervonden. Meindert had ook al dikwijls gehoord dat ze met de zwarte kunst omging, dat ze nooit in de kerk kwam en ze zeiden dat ze de duivel in huis had. Hij zou ze wel eens krijgen. En alsof het zo wezen moest, ze werd betrapt toen ze in een ander zijn hof een maaltje bonen getrokken had. Het werd aangebracht bij de schout en Meindert erop af.
Hij heeft ze ferm toegesproken en voor straf heeft hij haar verbannen. Ze mocht vijf jaar niet meer op Kwadendamme komen, anders zou ze gegeseld worden. Grietje heeft de moeite niet gedaan om zich te verdedigen, ze heeft haar boeltje gepakt, heeft de schout recht in de ogen gekeken en met een felle stem zei ze: “Ik zal wel gaan maar mijn kat blijft op Kwadendamme en je zult er nog van lusten”. En weg was ze, kromme Grietje. Op haar klompjes strompelde ze over de dijk en ze keek geeneens meer om.
De vrouw van de schout was een jonge knappe boerin. Zij bestuurde eigenlijk de hoeve want de schout was bijna nooit thuis. Gelukkig kon ze veel overlaten aan de paardenknecht. En voor het huishouden hadden ze de twee meiden. Zodoende had ze niet veel om handen. Ze verveelde zichzelf dikwijls. Als het een beetje weer was, ging ze daarom nogal eens een eindje kuieren, net zoals op die mooie namiddag in mei. Ze stapte over het Langewegje stikalleen (= helemaal alleen) maar toen ze verderliep draaide er almet (= soms) een grote zware kat rond haar keurzen (= rokken). Op het einde van de weg kwam ze bij de lindeboom en daar ging ze even in het gras zitten in de koelte. Ineens zonder dat ze er erg in had, zat ze daar niet meer alleen. Ze zag dat er schuins achter haar een knappe jonge vent zat in een mooi zwart fluwelen pak, hij had een klein snorretje en felle groenachtige ogen. De zwarte kat zag ze niet meer. Vriendelijk lachte hij eens tegen haar en zij lachte eens terug en hij begon zomaar een praatje met haar over het goede weer. En hoe het kwam, wist ze eigenlijk ook niet, maar ze begon zomaar ineens haar beklag te doen over haar vent, de schout. Hij is bijkant (= bijna) nooit meer thuis
en als hij er wel is, heeft hij alleen maar een grote mond. En verder heb ik er ook niets meer aan. De jonge man moest er eerst een beetje om lachen maar toen vertelde hij haar dat hij haar best eens zou willen helpen. “Ik zal wel zorgen dat je een beter leven krijgt, maar je moet er zelf wat aan willen doen.” “Hoe zou jij dat nu kunnen doen”, vroeg ze. Hij zou haar verlossen van de nukken van haar vent en verder zou hij haar leren hoe dat ze de machtigste vrouw kon worden uit heel de buurt. Maar dan moest zij nu de gelofte doen dat ze niet meer in God geloofde en dat ze nooit meer naar de kerk zou gaan. Ze was zo onder de indruk van die knappe jongen. Hij kon zo goed praten en hij keek toch zo lief naar haar dat ze zonder nadenken „ja? tegen hem zei. Als bewijsstuk van die gelofte knipte hij een stuk uit haar tule. Ze was er een beetje van aangedaan en toen ze weer tot haar eigen kwam, was de jonge man nergens meer te zien. Ze dacht nog: “heb ik nu mijn ziel verkocht aan de duivel?”, maar ja, ze zou wel zien en ze ging rechtstaan om toch maar weer eens naar de hoeve te stappen.
Toen zag ze ineens de zwarte kat weer. Ze keek eens goed naar die kop. Dezelfde felle groene ogen. Wat leken die twee toch op elkaar. De kat bleef bij haar tot aan de hoeve en toen dat ze naar binnen ging, bleef hij bij haar tot in het huis. Ze zie er niets van. Ze vond het wel goed zo. De dagen nadien is die zwarte kat gewoon gebleven en zij vond het eigenlijk wel gezellig. Zo nu en dan een beetje praten met dat beest. En soms dacht ze dat hij wat terugzei maar dat was verbeelding vanzelf (= natuurlijk). Maar ze voelde duidelijk dat hij haar verstond.
De enkele keer dat de schout thuis was, liet hij verrekt goed merken dat hij een pest had aan die kat en hij had er al een paar keer naar geschopt, maar hij kon hem nooit raken. Op een goede avond was dat beest vlak voor zijn voeten gesprongen en hij stuikte (= viel) op de vloer. De schout vloog overeind, vloekte en pakte zijn geweer dat er naast stond en brulde: “jij duivelse kat, ik schiet je aan flinters”, maar de kat was nergens meer te zien. Omdat de schout de laatste tijd zo ongeregeld thuis kwam en dikwijls nog zat (= dronken) ook, waren ze al een stuitje (= tijdje) apart gaan slapen en het is gebeurd vlak na dat geval met dat geweer dat hij op een ochtend vroeg wakker werd, glad (= helemaal) bezweet met veel pijn op zijn borst en zonder adem. Daar lag die verrekte kat maar eens op de dekens. Hij schopte de kat eraf en wou uit de bedstee springen, maar dat ging niet. Buiten asem viel hij terug en hij voelde wel dat het niet goed zat. Om kort te gaan, hij is nooit meer uit de bedstee gekomen. Er is nog verscheidene keren een dokter gekomen, maar met al zijn verstand heeft die niet kunnen vinden wat dat de schout mankeerde. Na een week lag hij op een ochtend dood op bed met de kat op de dekens en het leek wel of die zat te grijnzen.
Met veel eerbetoon is de schout begraven op het kerkhof van Kwadendamme maar veel volk van het dorp is er niet op gekomen. Veel vrienden had hij niet gemaakt. Ook zijn vrouw was thuisgebleven, want zij wou niets meer met de kerk te maken hebben. Ze dacht: “zie zo, daar ben ik van af. Nu ben ik dus glad (= helemaal) baas op die hoeve”, en dat hebben de knechten en meiden goed gevoeld. Ze was altijd al niet gemakkelijk geweest maar nu liep het zo nu en dan de spuitgaten uit. Er moest harder gewerkt worden en het was nooit genoeg. Zij kwam hoe langer hoe meer in goeden doen en begon vreemde dingen te doen.
Zo nu en dan had ze een praatje met de kat die dan een dag of wat op stap ging en gek genoeg was er dan altijd iets op andere hoeven in de buurt. De koeien gaven ineens geen druppel melk meer. Een paard viel zomaar dood op stal of de hoenders legden geen ei meer en als zij het op haar heupen kreeg, konden ze daar geen boter krijgen in de karn en zij had volop. Ze verkocht en deed goede zaken. Het geld stapelde zich op en ze wist er soms geeneens raad mee. Dan gaf ze op de hoeve maar weer eens een groot feest. Niet voor de gewone mensen op Kwadendamme, nee alleen voor de hoge dames en heren uit de stad. De zwarte kat was dan in geen velden of wegen te zien, wel kwam dan altijd die mooie jongen met zijn felle groene ogen. En op een van die feesten hebben de hoge heren de vrouw benoemd als schoutin van Kwadendamme.
Nu was het dus uitgekomen wat dat die jongen destijds beloofd had. Zij was verlost van de nukken van haar vent en nu was ze de machtigste vrouw uit de buurt geworden. Na dat feest is de zwarte kat voorgoed weggebleven. Wel kwam die jonge man bijna elke dag aan huis en op de duur werd ze er helemaal gek op. De hoeve liet ze maar gewoon over aan de paardenknecht en nu zaten ze met zijn
beiden hele dagen te drinken. Dikwijls was ze zo strontzat dat ze de bedstee niet meer kon vinden en op de duur bleef de jongen dag en nacht en heeft zij in zonde met hem geleefd. Ze had haar ziel nu helemaal verkocht aan de duivel. En met zijn duivelse kunsten is ze ook de mensen van Kwadendamme gaan pesten. Soms was de kerkdeur vlak voor de dienst niet meer open te krijgen Ze liet hooiwagens zomaar omstuiken (= omvallen) midden in de dijk en midden in de winter liet ze een hoeve afbranden en zij als schoutin stond er dan hardop bij te lachen met die zwarte duivel naast haar. Op het dorp werd er vanzelf veel over gepraat. Zo kon het niet langer. Op de hoeve van de schoutin waren de knechten en de meiden ook al weggelopen vanwege de schande. En er moest wat gebeuren. De mensen zijn bij elkaar gekomen en het einde van het liedje was dat er een paar naar ?s Heerenhoek geweest zijn omdat daar een pastoor woonde die bekend was als duiveluitdrijver. Ze hebben uitgelegd dat de schoutin van Kwadendamme in zonde leefde met de duivel in mensengedaante en of hij daar een einde aan wou maken. Op een zondagmiddag is die pastoor met twee misdienaars met het gerij aangekomen op het Langewegje. Er was veel volk op komen dagen en zo zagen die dat de pastoor eerst met de wijwaterkwast een groot kruis gaf over de ramen.
Toen dat hij op zijn knieën viel knielden ze allemaal en de pastoor begon uit zijn brevier de duivelsbezweringen te bidden. Vanachter de ramen hoorden ze de duivel hard lachen maar de mensen begon met zijn allen onzevaders mee te bidden en kruisen te slaan. De duivel in huis begon te schreeuwen en te vloeken en toen dat de pastoor opnieuw met wijwater een kruis over de ramen sloeg, vloog de achterdeur open en daar vloog een grote zwarte kat over het hof de hoek in. Stil werd het nu. De pastoor zegende de mensen en doodvermoeid met het zweet op zijn gezicht, stapte hij als een oude vent gebogen in het gerij. Heel stil zijn de mensen naar huis gegaan en er werd niet meer gepraat.
De schoutin is moederziel alleen achtergebleven. Dagen en nachten zat ze daar maar op een stoel achter het raam. Ze at niet meer, ze dronk niet meer en op een donkere avond is ze weer het Langewegje opgegaan en ze is gelopen tot aan de lindeboom. Ze is op haar knielen gevallen, hier op deze plek had ze haar ziel verkocht aan de duivel. Ze zou willen bidden, maar dat kon ze niet. Ze was verdoemd. Ze had een lijn meegenomen uit de schuur en twint als (= terwijl) de tranen over haar kaken rolden, heeft ze zich opgehangen.
De volgende dag is ze gevonden en ze hebben haar in alle stilte begraven in een hoekje op het kerkhof van Kwadendamme op ongewijde grond. Als je nu na zoveel jaren in Kwadendamme langs het kerkhof loopt, kun je daar op donkere avonden een grote zwarte kat zien lopen tussen de graven en één nacht bij de volle maan van mei zul je het nog zien. Dan gaat er heel stil een menselijke gedaante helemaal in het zwart, blijft niet staan en loopt door en hij sluipt achter op het kerkhof op zoek naar zijn lief.