Ria Hoogesteger - Geld uit de muur

Ze was in het bejaardenhuis komen wonen in een periode dat geldzaken nog heel anders afgehandeld werden als tegenwoordig. Zo kwam toen elke maand de administrateur langs met zijn geldkistje om het zak- en kleedgeld uit te keren. Mevrouw was heel haar leven zuinig met haar centjes geweest. Dat moest ook wel, want in de meeste huishoudens was het armoe troef. Maar ook nu ze wat ouder was, had ze voor alles nog haar potjes: een potje voor de kapper, de krant, een nieuwe jurk of een nieuwe mantel, enz. Wat ze overhield bewaarde ze in haar geldkistje. Zo had ze dat haar hele leven gedaan. Er ging niets naar de bank. Ook al wist ze dat ze rente kreeg, ze vertrouwde geen mens haar geld toe. Maar toen kwam ook voor haar de tijd dat het zak- en kleedgeld gestort werd via bank- of girorekening en dat werd moeilijk. Altijd had ze een duidelijk zicht op geldzaken gehad en dat was nu voorbij. De administrateur had een bankrekening voor haar geopend en zo kon ze haar geld bij de plaatselijke bank op het dorp op gaan halen. En dan kwamen de afschriften. Haar slechtziendheid ging ook steeds meer parten spelen, dus die afschriften lezen gaf ook al moeilijkheden. Het waren ook zulke kleine cijfertjes. Kleindochter Anne werd ingeschakeld. Die had altijd veel geduld bij oma, vooral als ze iets niet begreep. En Anne stelde voor om een bankpas aan te vragen. Dat was heel handig, vooral als je ging winkelen. In bijna alle winkels kon je ermee betalen. Tevens werd Anne oma’s gemachtigde voor dat het nodig was, want in Anne had ze vertrouwen. Na een leven lang zelf haar geld beheerd te hebben gaf ze het nu als het ware uit handen. Het kostte wel wat moeite, maar ouder worden valt ook helemaal niet mee.
Er kwam een nieuw jaargetijde en mevrouw was toe aan een nieuwe mantel. Anne zou met oma meegaan. Er werd door mevrouw toch voor alle zekerheid nog even over het geld gesproken. Nee, daar hoefde ze haar eigen geen zorgen over te maken, het stond allemaal op de bank.
Middelburg werd uitgekozen als winkelstad en ze had er zin in. In geen jaren was ze daar meer geweest. Vroeger ging ze nog wel eens met een vriendin naar de wekelijkse marktdag, op donderdag was dat altijd. Wat hadden ze dikwijls jaloerse blikken geworpen naar het restaurant op de markt. De Huifkar heette het. En deftige mensen zaten daar in de zomer buiten koffie te drinken. Gewone arbeidersmensen, die hadden daar geen centen voor. Toen Anne haar ophaalde stond ze startklaar, wel een beetje zenuwachtig, maar dat hoorde erbij. De handtas stevig vastgeklemd in haar handen, ook al zat daar bijna niets meer in. Toen ze in Middelburg aankwamen zocht Anne een plaatje voor de auto in een grote kelder. Tjonge, misschien konden hier wel 100 auto’s staan. Ze vond het maar niks en het rook er zo raar. Ze was blij als ze buiten stonden en gelukkig waren ze heel dicht bij het centrum. Anne stelde voor om eerst een kommetje koffie te gaan drinken. Met zo’n drukke baan en ze had zich wat moeten haasten om op tijd bij oma te wezen en ook wilde ze nog wat geld pinnen voor het koffiedrinken en een bosje bloemen te kopen. Kom oma, we lopen eerst eens even langs de pinautomaat voor wat handgeld. Het is hier vlakbij.
En toen was oma sprakeloos. Anne deed haar pasje in de muur, drukte op een paar knopjes en het geld kwam zo uit een gleuf uit de muur. Hoe kon dat nou? Zat er nu iemand achter die muur klaar met het geld en werd het wel goed geteld? Klopte dat allemaal wel? Met een heel diepe zucht zei ze tegen Anne, wat een wereld, wat een wereld. Even later gaf ze weer een hele diepe zucht toen dat er in restaurant de Huifkar geurende koffie en een warme apfelstrudel werden geserveerd. Nee, naar geld vroeg ze maar niet meer, Anne zou er wel voor zorgen en ze nam nog gauw een grote hap en het smaakte nog ook.