Adrie Quaak - Ik voel me niet goed

Het was een ievallige (= koud en nat) dag in het najaar, een tochtje (= poosje) geleden. Het was koud, het was aan het waaien, het regende, eigenlijk niets, een dag om een hele dag in je nest te liggen. Maar ja, goed, ik was er toch uitgekomen en ik was al een paar keer buiten geweest, de vuilbak buiten zetten, je kent dat wel, nog even de schillen voor de vrouw weggooien en nog een beetje van die dingen, maar elke keer dat ik dan binnenkwam dacht ik bij mijn eigen: “nou, nu hoop ik niet dat ik nog naar buiten moet”, want de koude zat overal, vooral in mijn buik. Dat konkelde daar maar rond en dat was akelig en ik zeg tegen de vrouw: “dat gaat niet goed, ik word ziek, ik krijg de griep.” Ze zei: “Is dat nu eerlijk waar?” Ik zei: “ja, ik denk het, want er is niets dat nu nog lekker zit bij me.”
Afijn, dat sukkelde zo een beetje door de hele dag, een beetje zuchten en steunen en een beetje net doen of ik niet lopen kon en in mijn stoel blijven hangen. Je kent het wel En ’s middags, ik zeg: “ja, dat gaat met die buik niet goed, hoor.” Toen zei ze: “wees nu niet zo flauw, dat zal best meevallen en bovendien …”, en verder hoorde ik het niet want toen ging ze een paar boodschappen doen. Maar ja ik dacht bij mijn eigen: “weet je wat, ik vraag het toch wat er is, hoor”, dus ik riep ze nog achteraan. Ik zeg: “wat gaat er om?” “Ach”, zegt ze, “neem maar een borreltje, je hoort het wel als ik terugkom.”
Afijn, ik dacht al bij mijn eigen: “dat is een goed voorstel”, en ik nam een lekker goed klaartje. Werkelijk waar. Het viel er kostelijk in. En toen het op was, dacht ik: “nu zal ik wel opgeknapt wezen”, maar nee hoor, glad (= helemaal) niet. Ik dacht: “dat is niet best.” Ik dacht: “weet je wat, als ik nu nog een borreltje neem, dan denkt ze als ze terugkomt dat ik aan mijn eerste borreltje bezig ben”. Zo gezegd, zo gedaan, borreltje was op en het tweede klokte lekker in het glaasje en toen ik daar halverwege mee bezig was, daar kwam ze terug. “Zo”, zegt ze, “ben je doende met je glaasje?” Ik zeg: “ja hoor”. Ik zeg: “ik hoop dat het helpt.” “Nou”, zegt ze, “als het niet helpt, dan neem je er toch nog eentje. Op een been kun je niet lopen.” Ik keek ze zo eens aan en zij wist niet dat het mijn derde was. En ik zeg tegen haar: “je hebt misschien wel gelijk.” Ik dacht ik zal niet al te blij doen. Afijn dat derde borreltje zat er dan ook in. Toen zei ik tegen haar: “wat wou je nu nog tegen me zeggen?” Ze zei: “je moet erop rekenen dat we vanavond naar Hein moeten”. Ik zeg: “naar Hein? met zo’n ziek lijf?”
“Toe, toe”, zei ze, “dat zal wel meevallen, hé” Ze zei: “ik vind dat altijd stikgezellig (= heel gezellig) en jij vindt dat toch ook wel leuk”. “Ja, maar als ik zo ziek ben, vind ik daar niet veel aan, hoor.” “Vooruit, proberen”, en ze zei tegen mij en ze keek met zo’n blik alsof ze zeggen wou mannetje die kun je in je zak steken : “je vraagt ook wel eens iets aan mij en dan vind jij dat gezellig en ik niet altijd, maar dan zeg ik ook geen nee” en ze bleef nog even met haar priemoogjes op me kijken ik dacht ik zeg maar niets meer en toen als het avond was ging ik mee naar Hein. Ik dacht, weet je wat, ik zeg niet te veel en ik doe niet te veel en ik praat absoluut tegen geen mens. Alleen als ze wat aan me vragen, geef ik antwoord en verder hou ik me heel rustig. Zo gezegd, zo gedaan, clarantie (= aanstalten) gemaakt en even later zaten we bij Hein en ja, mijn buik, hé, mijn buik hé.
Maar goed, beetje praten deze en gene tegen me en ik knik maar eens en zo ging dat maar door. Maar ja, op een gegeven moment, ik dacht: “dat gaat niet goed. Ik moet naar de plee.” Dus ik stond op en zeg zo: “mag ik even voorbij, want ik moet even naar de plee”, en even
later stond ik daar En Afijn afijn, dat werd wreed (= erg) moeilijk. Ik dacht als ik nu toch maar een beetje wind kan maken dat zal schelen. Ik dus … ik gaf een klein beetje gas. En dat had ik niet mogen doen, hé. Ik was dan toch eventjes op dat moment in paniek, want er zat saus in mijn broek. Ik voelde het en het stroomde langs mijn benen. Ik dacht goeiedag, hoe moet dat nu toch maar ja, het was niet anders. En ik mijn broek uitgedaan en ik zag dat daar in ieder geval niets aan was. Er liep hier en daar wat langs mijn benen Maar dat kon ik met een papiertje gemakkelijk weg krijgen. En die broek, hé, het was net van een kleine van een week of vijf, zes. Die kon het me niet verbeteren. Afijn, ik het zaakje een beetje leeggeschud in de plee. Maar ja, het was toch een vuile troep, hé. Ik dacht hoe moet dat nu toch, hoe moet dat nu toch. Weet je wat, ik pak het zaakje in dat pleepapier. Die rol hing er toch. En toen ik er een lekker dikke dot van gemaakt had waar niets meer door kwam, heb ik hem onder mijn jas gedaan en netjes mijn handjes gewassen. Ik heb netjes doorgetrokken en afgekelfd (= schoongemaakt) en niets meer kon je ervan zien.
En toen ik naar buiten kwam toen voelde ik mijn eigen toch redelijk opgeknapt. En die dot die zat zo onder mijn jas en toen ik in mijn stoel zat, toen zag ik de tas van mijn vrouw staan en daar heb ik het ingeduwd, heel voorzichtig erin geduwd. Tas dicht, klaar. Ik dacht: zo, dat is voor mekaar. En ja hoor wezenlijk (= werkelijk) ik knapte op, ik knapte op. Ik heb nog een beetje zitten lachen en praten en ik heb zelfs nog een borreltje genomen. Maar de vrouw zei even later: “zeg, we gaan eens naar huis, want je voelde je al de hele dag niet zo goed.” “Och”, ik zeg, “het gaat al een beetje beter, hoor”. “Och”, zegt ze, “gelukkig maar we gaan toch maar naar huis. Het is tijd.” Dus wij weg. Bedankt voor alles en het beste. Dus wij terug naar huis.
Eenmaal thuisgekomen ben ik in mijn stoel gaan zitten twint (= terwijl) dat de vrouw nog even rederde (= in orde maakte) in huis. Ik zeg: “Nu moet je eens even luisteren. Als je nu direct je tasje pakt ..” Ik zeg: “dat en dat is gebeurd en er zat saus in en het was heel vies en heel vuil en ik heb het allemaal in je tas gestouwd en dat zit er nu in. Dus denk erom, gooi dat er nu eerst uit.” Ze kijkt naar me. Ze zei: “heb je dat in mijn tasje gedaan?” Ik zei: “ja. Ja.” “Maar”, zei ze, “maar … ik had helemaal geen tasje bij me!”