Jo Koeman - Onder de pet
Een paar jaar geleden zat ik in de wachtkamer bij de dokter te wachten op mijn beurt. Het was glad (= helemaal) niet vervelend, want er zat een stel die had iedereen van het dorp zachtjes aan bij d’r kladden gehad … Veel kwalen van iedereen die werden genoemd en er kwam geen einde aan, en op de duur werd de stemming toch een beetje somberder. Maar voordat ik het beu was, kwam er een terug van de dokter. Het was Jan Scharre. Die werd zo genoemd omdat hij vroeger altijd met platvissen geleurd had. En dikwijls waren dat scharretjes. Ze zaten in een grijze kist op zijn transportfiets en op een ingenieuze constructie op zijn stuur sneed hij ze de kop af en haalde hij de ingewanden eruit. Ik zie het nog voor me. Maar nu was Jan in ruste. Altijd droeg hij een zwarte pet, zondag en werkdag, in huis en waar dat hij ook was. Maar nu bij de dokter was zijn pet af en op zijn kale kop zat een grote pleister en een paar rode fleren (= vegen) van de jodium. Ik dacht bij mijn eigen, kijk, die heeft zeker een wrat of iets laten weghalen, maar achteraf bleek het een heel ander verhaal te wezen.
Hij was bij zijn schoonzuster op de koffie geweest en die had nog een zoon thuis, Toon, een vent van half de twintig met handen als koolschoppen en sterk dat hij geen meter van zijn krachten wist. Jan en zijn schoonzuster zaten lekker aan de keukentafel koffie te drinken toen Toon thuis kwam. Toon kwam uit café want hij hield veel van zijn flesje bier en zijn borreltje. Ach, oom Jantje, zei Toon, en met zijn vlakke hand en zijn zatte kop sloeg hij oom Jan boven op zijn pet en daarmee ook op zijn hoofd.
Goh.., een grote vloek volgde en oom Jan stuikte in een dot (= zakte in mekaar) naast zijn stoel. Toon en zijn moeder verschrokken d’r eigen (= schrokken) als een knipmes. at gebeurde er nu. Toon was vergeten dat oom Jan altijd wat onder zijn pet had zitten, namelijk zijn kunstgebit. Hij deed dat alleen maar in zijn mond als het nodig was, maar hij wou het ook niet missen dus hij borg dat dus op onder zijn pet. Dan had hij het ten slotte altijd bij de hand.
De tanden waren dus nog goed scherp. Met gang (= snel) werd oom Jan naar de dokter gebracht, net voordat ik in de wachtkamer kwam. En de moraal van dit verhaal: met de goedbedoelde klap van Toon had oom Jan in zijn eigen kop gebeten op een manier die zijn weerga niet kende.