Corry Arendse - Aandacht
Iedereen wil op z'n tijd wel eens in de schijnwerpers staan. Dat kan een heel goed gevoel geven. Als alle ogen op je gericht zijn. Elk mens wil op z'n tijd wel eens in de belangstelling staan, denk ik. Aandacht krijgen, het middelpunt wezen. Om dat te bereiken, maken mensen soms eigenaardige bokkensprongen. halen ze streken uit, met niet zulke mooie karaktertrekjes. En dan heb ik het niet alleen maar over grote mensen.
Het speelde zich af rond 1950. Het gaat over een klein meisje van een jaar of zes. Dus haar leventje overdag, dat bestond uit het zitten op een harde schoolbank., onder het oog van de meester, die de klassen l, 2 en 3 onderricht gaf. In het klaslokaal stond bij het raam, een rij bankjes voor de eersteklassertjes. In het midden stond een rij voor die al in de tweede klas zaten. En bij de deur was de rij, voor de oudste, de derdeklassers. Op de kleuterschool was het meisje nooit geweest, wan die was er niet op het dorp. Het was dan ook een grote overgang, om als zesjarige, van hele dagen buiten spelen, de dagen binnen in een schoollokaal, op een harde bank door te moeten brengen. Maar toch, er ging ook een nieuwe wereld voor haar open. Leren lezen, schrijven, rekenen, taal en nog veel meer. Van de meester leerde ze ook, hoe ze zichzelf moest gedragen in de klas. Er waren heel wat regels; je gedrag heette dat. En zoals de meester het zei, zo wilde het meisje het ook graag uitvoeren. Ze durfde eigenlijk ook niet anders, want ze was o zo verlegen van aard. As ze een schrobbering zou krijgen, zou ze zichzelf niet kunnen verweren. Zo een klein, braaf meisje, wat deed ze haar best om dat altijd te wezen. De meester verstond de kunst om van sommige voorvallen een soort ceremonie te maken. En een daarvan, die vond dat meisje toch zo mooi,hé. Het geval van een gevonden voorwerp. Dat verliep volgens vaste regels, en dat was toch altijd zo een mooi moment in de klas. Maar spijtig genoeg; zij verloor nooit iets. Dus die mooie ceremonie ging aan haar neusje voorbij. Na veel geprakkiseer kwam ze toen op de onzalige gedachte: Ik ga eens expres (= opzettelijk) iets verliezen ....... en, dat wordt dan gevonden ......... En dan mag ik naar voren komen in de klas, en dan ...... Dan gaat het allemaal gebeuren voor mij ...... Zo kom ik dan toch in de klas een keer in de schijnwerpers te staan en zullen alle ogen op mij gericht zijn.
Nu moet je weten, dat ze van haar opa net een mooi cadeautje had gekregen, voor haar zevende verjaardag. Een ringetje. Een ringetje met een molentje op. En wat denk je: op een donderdag, tussen de middag, schoof ze dat ringetje van haar middelvinger af en legde ze het in een hoekje onder de kapstokken in de gang van de school. Daar kon niemand erop trappen. En nu maar afwachten..... En ja hoor, om halfvier was het kleinood al weggepakt! Er begon al iets van binnen te groeien bij het meisje. In haar gedachten hoorde ze de meester in de klas al zeggen: “Kinderen, wij hebben vandaag een gevonden voorwerp. Wie van jullie mist er iets?” Dan zou ze gauw haar vinger opsteken en zeggen: “Ik meester, mijn ringetje”. “Omschrijf je ring eens jongedame”, zou de meester dan vragen. “Een ringetje met een molentje op, meester”. “Een molentje van Delfts blauw, misschien?” “Nee meester, het is helemaal van zilver”. “Goed”. En dan zou ze door de klas naar voren lopen, en onder dank, aan de eerlijke vinder, “het gevonden voorwerp”, in ontvangst nemen. En dan met een gezicht, dat blijdschap uitstraalde, weer terug naar haar plek (= plaats) lopen. En alle ogen zouden dan op haar gericht zijn, en naar het ringetje kijken. Zó dacht ze dat het zou verlopen.
Maar de andere dag, de meester had geen gevonden voorwerp. Dat kon toch niet? Kom op, geen muizenissen in haar hoofd halen. Geduld hebben. Maar het zat niet lekker. En toen, een paar dagen later, keek ze met grote ogen naar Tine haar handen. Tine, die al twee klassen hoger als zij zat, al in de derde. Ze zag het ringetje, bij Tine aan haar vinger zitten. Het was
hetzelfde ringetje, dat kon niet anders, van zilver, met een molentje. Maar het meisje durfde er niets van te zeggen. Want Tine was er een met een hele grote mond, ze had ook al oudere zusters. Daar leerde ze dat al van, zei ze altijd. Maar afijn, een week later, was de maat vol bij het meisje. Toen moest het eruit. En met een hoofd, zo rood as van een kalkoen, hakkelde ze: “Dat dat ringetje, met dat molentje, dat ben ik verloren, die ring die, die is, van mij Tine.” “Glad (= helemaal) geen waar, ik heb er ook zo een gekregen”, brieste Tine, “punt uit”. En Tine die keek met ogen die vuur spuwden naar het meisje.
Wat kon ze nu nog meer doen, of zeggen. Niks meer. Maar een ding was zeker, ze had al nooit veel op met die Tine, Maar die meid had nu voorgoed naast het potje gepist bij haar. Die Tine, dat was me er een, die pronkte graag met andermans veren. Op een dag kwam Tine op school, met een mooie, schakelarmband rond haar pols. Alle meiden keken hun ogen uit. Tine vertelde, de armband ronddraaiend met de vinger waar het ringetje met het molentje aan zat, dat ze de armband had gekregen van haar oudere zuster. “Ooh, is het echt goud?”, vroeg er een van het groepje. “Het heeft er naast gelegen”, had de oudere zuster gezegd. En zo genoot Tine weer van de volle aandacht.
Het meisje hield zichzelf op de vlakte, die Tine liet zij nog altijd links leggen. Maar op een goede dag, het meisje kon haar eigen ogen nabij niet geloven. Wat lag daar, zomaar in een hoekje van het schoolplein? Die mooie schakelarmband! Het meisje hoefde zichzelf geen moment te bedenken. Zij vond hem! Ze stak de armband gauw in haar mantelzak, en onderweg van school naar huis toe, had ze het ding al gedurig in haar handen. Thuisgekomen, pakte ze een wollen doek en de koperpoets, en maar wrijven over de schakels, die naast het goud hadden gelegen. Tjonge, nog mooier dan goud, zo blonk het nu. Toen ze ’s zaterdags de armband, rond haar dunne polsje aandeed, viel dat toch een beetje tegen. Hij schoof zo over haar hand en, dat was nog oppassen geblazen, om hem niet te verliezen. En na een stuitje, was haar pols zo zwart als de kolen, en ook haar jurk was er vuil van geworden, die kon zo in de waste (= was). En dat kwam al, van die inmiddels stomme armband. Toen, kwam tegelijkertijd, bij het meisje een spreuk naar boven, die opoe nog al eens bezigde: "Gestolen goed, gedijt niet, mijn kind". Dat is het hier ook, met die armband. Ik ondervind het nu. Wanneer kan ik die armband aandoen? ’s Zondags naar de kerk, draag je toch niet iets dat je gestolen hebt. En naar school met die armband, dan loopje ook zo tegen de lamp. Eigenlijk was er aan die hele armband geen mieter aan. En korte tijd later heeft ze het ding ergens expres verloren. De gebeurtenis is ondertussen al jaren en jaren geleden. Verjaard, zou je kunnen zeggen.
En ik wil nu een bekentenis afleggen. Want dat verlegen meisje van dat ringetje met dat molentje, dat ben ik. Nu dat ik erop terugkijk, vraag ik mezelf af of het verhaal, zoals ik net vertelde, de werkelijke waarheid is. Tine is misschien wel goudeerlijk geweest. Het ringetje met het molentje zal heus geen unicum geweest zijn. Hoe het ook zij: met die schakelarmband, zat ik wel stikkefout! Ik hoop dat Tine me dat vergeeft. En opoe, als opoe dit verhaal zou horen, zou ze met haar hoofd schudden en zeggen: “Mijn kind, mijn kind, ik hoop dat je er wijzer van geworden bent. Ten slotte, iedereen wil, op zijn tijd wel eens in de schijnwerpers staan. Bij mij heeft het heel lang geduurd, voordat ik aandacht kreeg. Maar nu is het me gelukt. Waren alle ogen op mij gericht. Fijn dat je hebt willen luisteren naar mijn verhaal. Bedankt voor de aandacht!