Jan Zwemer - De fabel van de haas en de kikker

Heb je dat nooit gehoord, die fabel van die haas en die kikker - een puit zogezegd?
Je kent toch ook wel dat lang wend langs de rechte laan van de Zeeduin, niet ver van het bos? Ah nu, daar heb ik een haas gezien en een kikker horen klinken, een ijselijk verhaal, een treurspel is het. Mensen, zit als een blok in je stoelen en luister.

In het najaar was het, maar vroeg erin, een nazomeravond bijna nog, als van de boskant de grootste haas uit zijn pan rees om zijn maal groenten in die nacht op te gaan doen. Het was zo’n avond met vocht in de lucht, nog net geen mist, en vrees voor het mensdom was in deze contreien op deze tijd van het jaar geen zaak waar een haas over te prakkiseren had. Een haas, mensen, ongekend. Zijns gelijke was er niet in heel de Manteling. Zijn vader en grootvader waren ook zo geweest: reuzen in hun soort, beesten op meer als een manier, groots en boeftig (= buitengewoon groot) en gezocht door de jagers maar nooit gevonden. Een ellenstok was niet genoeg om hun maat te nemen. Voor deze kon je daar zes duim bijtellen als hij rechtop zat, van zijn voorbenen tot zijn schouders opwaarts. Twee oren als wijnpeeën (= grote winterwortel) in zijn nek en hij was bekleed met een ruig vel als een pantser - op zichzelf zeven pond van zwaarte. Zijn benen scharnierden als een hydraulisch mechaniek en zijn adem ging als een schildknaap voor hem uit.

Zo zat dan die haas recht en pront (= trots) en bij zijn voorpoot zag je bijna niet dat er zich een kikker ophield. Een kikker, een gladde puit uit de kanten van de dulf, een wannut ( = lelijk) groen mechochel, lid van de toet- en blaasclub maar verder niets van naam en zijn afkomst is niet geweten tot op de dag van nu. Zijn ogen bol en als nakende (= naakt) in zijn rimpelloos kostuum met maillots, kwam de kikker nog niet tot een kwart van de voorpoten van de haas. Schor kwamen de woorden uit zijn muil, wijd als een de heerser van de gejegente eer betoonde: “Ik zeg goeiedag, langpoter; dat de klavers tot boven je oren moge groeien, met zo’n hoogte heb ik ze nog nooit zien komen.”
“Dank je beleefd”, zei de veldreus. “Dat er water mag staan in de dulven (= sloten) voor gasten van je soort. Maar niet te veel want nattigheid is voor edellieden als mij een kwaad gelag.”

“Water of niet”, zei de puit, “dat is mij gelijk. Ik kom over land net zo wel van pad als door het water.”
“Wat?” bracht die andere uit. “Ha ha ha ha! Over het land! Jij met je bokkensprongen! Kan je toch een rechte lijn houden?”
“Met je welnemen”, deed nederig de puit. “Ik kan aardig van pad. Of je het gelooft of niet, toen ik nog bij mijn vader in dienst was - hij was aanzegger in deze hoek - kon ik een kat en een hond bijhouden.”

De haas kroop over de aarde van het lachen. Moet je dat horen, zo’n groene vis! Kan jij toch wel tegen zoveel lucht? En die magere pootjes van je, breken die niet als ze de grond raken?’ Met welbehagen keek Langoor naar zijn eigen gespierde kilometervreters en zijn lanken (= flanken) trilden als hij alleen al maar dacht aan een goede sprint.

De kikker zei niks. Hij rolde zijn ogen een keer toe en zo zat hij even als een standbeeld. Toen gingen ze weer open en ook de groenerik zijn bek:
“Willen we wedden dat ik harder kan lopen als jij?”
Het scheelde niet veel of de haas was overzij geklapt.
“Ben je nu glad (= helemaal) van de mensen besnuffeld?”, bracht hij uit.
“Jij harder lopen als ik? Nooit van zijn leven!”
En hij vorste zijn buurman.
“Ga. Ik wil het met je proberen. Om wat wedden we?”
“Wat dacht je”, zei de kikker, “van een fles Berenburger tegen het najaar en een hele week ontbijt op bed? Als ik win, breng jij het bij mij en als jij wint, ik bij jou.”
“Afgesproken,” zei de langpoter. “Zullen we beginnen?”
“O nee”, deed de puit. “Eerst even wassen. ik ben al veel te lang op het land. Over een half uur ben ik terug.”
En hij sprong naar de dulf (= sloot) en zwom weg.

Een stukje verder in de dulf (= sloot) bij de laan, zocht hij zijn broer op, een blinkende puit net eender, een mechochel groen en glad en verder geen nieuws.
“Broer”, zei de kikker, “je moet mij helpen”. “Helpen, hoe dat zo?”
“Ik ga om ter hardst lopen met een haas. En toch ben ik niet getikt, mocht je dat soms denken. Maar jij moet een pootje toesteken.”
“Ik kan net zo min hardlopen als jij,” zei de broer. “Dat geeft niet, als je maar over een kwartier bij de Zeeduinse Poort zit, in de eerste rij peeën naast de rechte laan. En als je die haas hoort komen, dan laat je jezelf zien en je zegt: Ik ben er al. Gewoon blijven zitten en elke keer datzelfde zeggen.”
En hij wipte weg.

De haas had net nog een paar rek- en strekoefeningen gedaan en zijn soepele lijf blonk in het maanlicht toen hij de kikker zag komen.
“Ha, ridder zonder frame of blaas!  Ben je niet benauwd dat je jezelf uit de naad loopt en dat de reigers en de ratten je groene vlees uit je puitenzakje
zullen pellen?”
De kikker spoog in zijn handen en zei: “Lul nu maar niet te veel, je zal je adem nog nodig hebben. We lopen hier door de peeën, jij het eerste padje
en ik het tweede. Tot aan de Zeeduinse Poort en terug tot hier.”
En hij zet aan om te springen. “Een, twee …drie!”
En daar vloog de haas, als uit een kanon geschoten. De peeën (= wortels) rilden in de grond van de macht van zijn dravers, die een spoor achterlieten in de kluiten. Glad (= helemaal) ongekend - de rook er af zo na. De kikker keek hem achteraan en rolde zijn ogen een keer toe.
“Uit de naad”, dacht hij bij zichzelf. “Zo’n Filistijn.”
Als de haas dreunend en blazend de Zeeduinse Poort naderde, sprong er een kikker overeinde en zei: “ik ben er al”.
De langpoter vloog bijna over de kop van alteratie. Dat had hij niet gedacht. En hij draaide om en speerde met verhoogde snelheid terug in het andere voorhoofd (= vooreinde van de akker). Zijn achterbenen slingerde hij in de richting van de maan en zijn oren legde hij plat in zijn nek als een paar spoilers. Zijn adem ging met zware stoten als een luguber machine en hij zou gezworen hebben dat hij in de andere pad geen kikker gezien had.
Toch zag hij bij het uitgangspunt weer die puit met zijn bolle ogen die startensgereed zat en kwaakte: “Nog een ommekeer!”
De haas steigerde algauw, keerde en stoof terug dat de kikker de kluiten om zijn oren gevlogen hadden - als hij oren gehad had.
Op het andere einde zat wel die kikker die al riep: “Ik ben er al.”
En weer keerde de haas en weer en weer en weer. Negenenveertig ommekeer haalde de haas uit zijn lenden, toen bleef hij liggen tussen de peeën en het geschiedde dat hij zijn laatste adem uitspuwde op het moment dat er een wolk voor de maan kwam.
De puit zat naast hem als het weer licht werd en als hij zag wat er gebeurd was, rolde hij zijn kikkerogen toe en zei: “Antwoordt de zot naar zijn dwaasheid. Ik geloof dat ik gewonnen heb.”
En hij hupte naar zijn broer bij de Zeeduinse Poort en begon te kwaken van het lachen. En als ze er niet mee opgehouden zijn, doen ze het nu nog.