Izak Kwekkeboom - Terug in de tijd, tussen fantasie en werkelijkheid
In de contreien van de molen van Souburg, daar staat een klein huisje met een werkplaatsje; op het zicht van de straat hangt een bordje en daar staat op: W. van Hecken, meester-schoenmaker en met kleine lettertjes daaronder barbier. Het was altijd maar een karig bestaan geweest en van schoenen lappen alleen kon hij niet bestaan. En daarom deed hij ’s vrijdagsavonds knippen en ’s zaterdags scheren. Maar nu was er een drukte van belang, want de timmerman was druk bezig met een grote werkplaats te bouwen, want vorig jaar waren ze begonnen met het graven van een bouwput voor schutsluizen van het nieuwe te graven kanaal. En nu had hij zoveel vragen gekregen naar nieuwe laarzen en reparatie van laarzen en schoenen, dat hij er glad (= helemaal) geen baas meer over kon. Hij had al drie knechten erbij genomen en hij kon het nog niet aan. Maar ze zaten elkaar in de weg en daarom was hij aan het bouwen. Zijn dochter Pie, op zijn zondags Pietje, was ook al hele dagen in de schoenmakerij ingezet. Ze mocht de schoenen en laarzen poetsen en terugbezorgen en de nieuwe afleveren en daar had ze het druk genoeg mee.
’s zaterdags moest ze de klanten inzepen zodat haar vader achter elkaar kon scheren. Pietje was een lieve pronte meid en ze mocht dan ook nog al eens wat aanhoren van die scheerklanten en daar waren er ook wel eens die eens probeerden onder haar keurzen (= rok) te grabbelen maar dat mocht vader Willem niet zien want dan kon je ongeschoren naar buiten.
Pietje was nabij 19 nu en ze had aanbidders genoeg, maar ze kon ook kattig wezen, hoor. Dat was de knecht van de molenaar gewaar geworden. Die zag haar natuurlijk iedere dag, en ze praatte er nogal eens tegen en als hij haar zag dan riep hij altijd en hij zwaaide naar haar maar Pietje wou maar van geen toenadering weten en toen ze een keer achter de molenwal liep, sprong hij ineens op haar af. Nu heb ik je en nu ben je van mij, zei hij en hij pakte haar in zijn armen en hij wou haar kussen, maar daar wou ze niets van weten en ze verweerde zichzelf geweldig. Maar hij was veel sterker en hij gooide haar op de grond tegen de molenwal. En toen dat ze begon om hulp te roepen, hield hij zijn hand op haar mond. Maar toen greep ze haar kans en ze kon vol in zijn hand bijten, zo hard dat alles onder het bloed zat en dat ze zelf een mond vol bloed had. En dat was het einde van het gevecht. De molenaar had ervan gehoord en hij heeft zijn knecht direct weggestuurd. Pietje was verschrokken (= geschrokken) en ze durfde ook niet meer zo terug te roepen en te zwaaien als er jongens tegen haar riepen, maar voor èèn maakte ze wel een uitzondering, maar daar hoefde ze niet tegen te roepen.
Jacob Dhaene was het. Het was weeral enkele jaren geleden - het was toen nog zo druk niet in de schoenmakerij - dat Ko Dhaene Jacobs vader gevraagd had of ze wou helpen bij het zaaddorsen. Ze was toen nog maar zestien. Ko Dhaene boerde op Welgelegen, een mooi hof, een mooi huis en een grote schuur met twee dorsvloeren. Elk jaar had hij zeven gemeten braak. Daar ging daar een halve mestput op en voor half augustus werd daar koolzaad ingezaaid en als het dan in juli mooi weer was, dan moest dat gedorst worden en dan waren er veel handen nodig. Dan lag het koolzaad gesneden op leggen en dat werd dan voorzichtig op een kleedje gelegd door twee mannen of vrouwen en naar het grote zaadkleed gedragen waar dat drie man met de vlui (= vlegel) op los sloegen. Voor dat er met dorsen begonnen werd, ging er wat aan vooraf, want zaaddorsen was ook een beetje een feestje. Alle meisjes die voor de eerste keer mochten helpen, moesten eerst de voeten geveegd worden en de jonge jongens mochten dan de jonge meiden op het zaadkleed ondersteboven gooien en haar voeten vegen en dan werd er natuurlijk aan haar voeten gekriebeld en onder gegil ook wel eens onder hun keurzen gegrabbeld.
Dan ging de suikerkom rond - brandewijn met suiker en bolletjes - maar alle moeders hadden tegen hun dochters gezegd dat ze als de suikerkom rondging en dat gebeurde nogal eens dat ze maar kleine slokjes mochten nemen. Zo ging het ook bij Ko Dhaene en Jacob, die gooide Pietje van Hecken op het zaadkleed en veegde haar voeten en grabbelde stiekem onder haar schort en ze spartelde wel tegen maar ze vond dat toch niet zo erg en ze hadden naar elkaar gelachen. En dat was ze nooit vergeten en sindsdien had ze Jacob zowat altijd in haar gedachten en bij Jacob was het precies net eerder. ’s Zondags in de kerk zat hij in een zijbocht (= zijbank) en dan kon hij haar net zien zitten naast haar moeder en als ze dan eens zijn kant opkeek, dan glinsterden haar ogen en als de kerk uitging, probeerde hij altijd gelijk met haar op te lopen en dan wou hij zo graag wat tegen haar zeggen, hé, maar hij wist nooit wat en de woorden die bleven gewoon in zijn keel steken, en dan was hij later doodongelukkig dat hij alweer niets gezegd had.
Zo waren ze al wat ouder geworden en iedere keer bij het zaaddorsen zag ze dan Maatje Maes. Die hielp ook altijd mee. Die deed dan de boterham smeren en zo, en er waren nogal wat boterhammen nodig. Ze ging ook altijd met de suikerkom rond maar ze probeerde altijd kort bij Jacob te zijn en met hem praten en dan was ze stikkejaloers. Maatje Maes was een gave pronte meid. Ze woonde niet ver van Ko Dhaene vandaan en die deed nogal eens een beroep op Maatje, want Ko zijn vrouw mankeerde nogal eens wat, want ze was niet zo sterk en sinds dat Kee de deur uit was, zat hij nogal eens verlegen. Kee, zijn dochter, was veel te vroeg naar zijn zin getrouwd en dan nog wel met een timmerman. Hij had van in het begin af geprobeerd om het tegen te houden en nadat hij gezegd had dat hij nooit geen toestemming zou geven, kwam het uit dat ze in gezegende omstandigheden verkeerde en waren ze kort daarop getrouwd; Hij was heel kwaad geweest en had geen feest willen geven. Maar er was op een hof veel werk dat je de meid niet kon laten doen: brood bakken en boter maken, dat konden ze niet en als de vrouw dan weer op bed lag, dan deden ze een beroep op Maatje en die kwam graag. Ko Dhaene en Cornelis Maes, die zag je donderdags nogal eens met zijn beiden op de markt. Als ze daar zaken gedaan hadden, dan gingen ze naar Den Hoge en dan dronken ze een goede borrel. Daar hadden ze eens gepraat over Jacob en Maatje en ze vonden dat die twee een goed paar zouden zijn en dat ze allebei hun best zouden doen om ze bij elkaar te krijgen. Ko Dhaene die had toen nog wel tegen Cornelis gezegd dat hij nog wel een beetje geduld zou moeten hebben want Jacob was nog zo groen als gras en zo verlegen dat hij nog niet eens tegen een meisje durfde te praten en daar was het bij gebleven.
Maar nu was er heel iets anders gaande. Al jaren werd er gepraat dat er een spoorlijn moest komen naar Vlissingen en ook een kanaal, maar daar praatten ze al jaren over en verder kwamen ze niet. Maar op een ochtend waren ze ineens gekomen, met stokken en palen en landmeters liepen overal over en door, door de tarwe en koolzaad, door de witte bonen en dan zou die spoorlijn en dat kanaal maar eens bij hen door het land komen. Woedend was hij geweest en hij had ze van zijn grond gejaagd en al de stokken en palen die ze gezet hadden had hij uitgetrokken. De landmeters zijn verdergegaan naar het land van een ander. We komen nog wel eens terug, hadden ze gezegd.
De andere ochtend kwam er een mooi gerij op Welgelegen en een grote meneer stapte uit en die wou de baas van Welgelegen spreken. Nou, dat kon gebeuren, want hier was de baas van Welgelegen, Ko Dhaene in eigen persoon. In naam van de koning moest hij gedogen dat er landmeters op zijn land zouden lopen en als hij nog eens merkpalen en sjalons? zou verwijderen, dat zou hij bestraft worden met 100 gulden boete, en die zou afgetrokken worden van de prijs van de onteigening, die dat gauw zou volgen. Hij kon erop rekenen dat hij 800
gulden van het met zou ontvangen en wat erop groeide kon hij er nog afhalen als ze nog niet aan het graven waren. Hij zou er nog nader van horen en hij stapte in zijn koets en reed weg. 800 gulden van het met, dat was geen kleinigheid, maar hij zag ze toch niet graag door zijn vruchten lopen. Al zijn goede grond ging eraan en hij zou natuurlijk paarden te veel hebben.
De halve mestput ging naar de braak en de rest naar de stoppels. En Jacob had niet meer te ploegen en dat deed hij zo graag en dat kon hij nog zo goed. Het was een ramp voor zijn hof maar 800 gulden van het met, dat was ook geen flauwekul. Jacob werd het zwart voor zijn ogen toen dat hij het hoorde. Dagen lang docht hij negens anders over: niet meer ploegen en niet meer zaaien. Hij wou er toch zo graag eens met Pietje over praten maar hij durfde het niet aan.
’s Zondags daarop was ze alleen in de kerk; haar moeder was er niet bij en toen als ze buiten kwamen, toen heeft hij zijn eigen vermand. Met de moed van de wanhoop zei hij tegen haar: “mag ik eens komen vanavond?” “Ja, Jacob, kom maar gerust. Vanavond om zes uur achter de molen.” Nou, je kunt wel begrijpen dat hij er was en zij was er ook. Maar nu moest hij natuurlijk wat zeggen en hij wist niet hoe of hij moest beginnen en stotterend zei hij: “Wat ben ik toch blij dat ik mocht komen.” En Pietje zei: “En ik ben blij dat je wou komen.” En toen kon hij ineens praten. Hij was het kanaal en Welgelegen ineens vergeten en ze hebben elkaar gekust en nog eens en nog eens en toen kwam het er ineens eruit. “Pietje”, zei hij, “Pietje, zou jij de moeder willen worden van mijn guusjes (= kinderen)?” En zonder zichzelf te bedenken zei ze: “Ja, Jacob, dat wil ik heel graag.” “Nou”, zei Jacob, “en dan zal ik zorgen dat je er veel krijgt”, en ze kusten mekaar nog eens. “Ga je mee nog een eindje kuieren”, zei Jacob. “Dat doen we”, zei Pietje en ze gingen de Abeelse zandweg in tot dat ze bij Kraaiewegeling kwamen en daar zijn ze ingegaan. Dat wegeling was dicht begroeid met doornhagen, bramen en toeters. De wegeling liep dood bij de dam van een grote wei van Koddetje. Het was een mooie stille zomeravond en daar in het lange gras zijn ze neergestreken. Ze hadden elkaar veel te vertellen, hij over Welgelegen en zij over de schoenmakerij. Zoveel laarzen dat ze nodig hadden met dat graven van het kanaal. En daar in dat wegeling is het gebeurd: en hij nam zich ter vrouwe, Pietje van Hecken. In de wolken van geluk zijn ze teruggegaan naar de molen en ze hadden niet veel meer te praten. Langzaam wiekte er een grote zwarte kraai over hun pad. “Kra, kra”, riep hij. Dat was het enige leven dat ze hoorden en toen dat ze weer bij de molen waren zei Jacob “mag ik nog eens terugkomen?” “Zo dikwijls als je maar wilt”, zei Pietje. Nog een kusje en ze gingen naar huis.
De andere ochtend merkte Pietje haar moeder natuurlijk direct dat er met Pietje wat bijzonders aan de hand was en ze wist ook wel wat want moeders weten van hun dochters veel meer als dat je voor mogelijk houdt Ook al had ze daar nooit iets over gezegd
Maar toen als ze met zijn beiden in huis waren begon ze erover. “Pietje, Pietje, dat kan toch nooit wat worden tussen jou en Jacob Dhaene. Ziet er toch van af als je nog kan. Je zal nooit gelukkig worden met zo’n grote boerenzoon. Je vader is maar schoenvader, mijn kind. Ziet er toch van af!” “Nee moeder,” zei ze “ik hou zoveel van hem, dat kan ik niet. En vader heeft meer knechten dan Jacobs vader.” “Mijn kind, mijn kind toch”, zei ze en daar is het bij gebleven.
In diezelfde week kwam weer dat mooi gerijtje op Welgelegen en weer stapte die grote meneer eruit en hij gaf Ko Dhaene een oproep om zijn eigen met een gerij te vervoegen op het Muntplein bij de abdij om het bedrag van de onteigening van zijn grond in ontvangst te nemen. Bij nadere informatie hoorde hij dat dat ongeveer vijftigduizend gulden zou zijn. Jacob kreeg de andere ochtend opdracht van zijn vader de nieuwe wagen in te spannen en hij ging zelf om dat geld: vijftigduizend gulden in linnen zakken met rijksdaalders, bij elkaar een
hele vracht. Op de terugweg kwam hij in de Vlissingse straat voorbij een bakkerswinkel en daar kocht hij drie zoetekoeken Een voor hun eigen, een voor maatje maas en een voor Kee. Hij had wel wat anders kunnen kopen maar hij vond dat hij toch wel een beetje zuinig moest wezen, ook al had hij nu veel geld. Maar Kee heeft de zoetekoek zover weggegooid als dat hij maar vliegen wou. En kwaad had ze gezegd: “en als je niet anders hebt, dan kan je dit ook wel houden.” Hij heeft al zijn geld naar de Algemene Bank in Vlissingen gebracht en op rente gezet.
Het was veel veranderd op Welgelegen. Ze hadden het niet meer druk, niet meer te ploegen en te slechten in de braak en zo meer. Maar daar kwam op een ochtend Koddetje, Pieter Kodde. Hij boerde niet zo heel ver van hen vandaan, ook op een flink hof. Hij was maar een klein mannetje en daarom noemden ze hem Koddetje en die kwam aan Ko Dhaene vragen of hij niet eens wou helpen want hij zat zo moeilijk. Hij had geen goede paardeknecht en of Jacob niet eens kon komen om te ploegen. De braak moest nog bewerkt worden en opgeploegd, want voor half augustus moet koolzaad gezaaid wezen om een goede oogst te kunnen verwachten. Nu kon Koddetje niet zo goed knechten houden en daarom zat hij nogal eens krap in zijn personeel. Er werd algemeen beweerd dat Koddetje van de zwarte kunst kon en daar gebeurden nog al eens rare dingen Je kon er ook gewoon op rekenen dat als je aan het karnen was en Koddetje kwam voorbij, dan was de karn betoverd. En hij boterde niet en je kreeg hem niet af en als je bleef karnen kreeg je hele slappe boter en de karnemelk smaakte naar zeepsop. Als Koddetje eens op de dam van je land gestaan had en hij had over de horde gekeken dan wou de vuilte (= onkruid) wel groeien maar de vruchten niet. Dan zag je op de duur de tarwe niet van de kankerbloemen en het pluimgras En je dorste maar een mud of vijf van het met. Bij hem groeide het dan des te beter en hij doste dan vijftien, soms wel achttien mud van het met. Hij had soms ook wel 800 kg koolzaad van het met.
Maar Jacob die wist wel hoe dat kwam want hij had eens bij Koddetje een haas op een padje gezien en hij dacht: “die ga ik wel eens proberen te schieten als het lichte maan is, en dan ga ik verdekt ergens stil zitten, dan komt die haas wel binnen schot.” Maar toen zag hij heel iets anders. Koddetje had een paar balen guano gebracht en die ging hij in de lichte maan verzaaien. Nu was guano wel een artikel waar de boeren veel over praatten want het was een wondermiddel. Alles groeide er hard van, maar veel boeren geloofden dat het van de boze was en het was de Heer verzoeken. Pas geleden had de dominee in zijn preek nog gezegd dat je geen kunstgrepen in de natuur mocht gebruiken om je eigen te bevoordelen want dat was uit den boze en er zou zeker een straf op volgen. Dus werd er voor alle zekerheid geen guano gezaaid. Maar Koddetje waagde het erop.
Jacob was blij dat hij bij Koddetje kon komen om te ploegen. Hij mocht beginnen om de braak opnieuw op te akkeren. Alle akkers precies zes voet breed. Hij had zijn handpaard strak op de lijn om rug te scheppen, dan bijruggen, een blinde voor, een drievoor, klaven en strijken en dan was de akker klaar en de voor moet natuurlijk straalrecht zijn, want daar werd naar gekeken. Maar dat kon Jacob wel. Nu gebeurde het nogal eens als hij uitgespannen was, dat Koddetje zei: “als je nog een akker meer geploegd had, dan was je recht voor de dam geweest” en dan zei hij dan weer: “Je laatste voor op heen is niet zo recht” en dan dacht Jacob: “Hoe weet je dat nu want je bent glad niet op het land geweest. Nu gebeurde het nogal eens dat er een grote zwarte kraai in de tarwe of in de erwten zat en dan zat hij weer eens op een dode tak in een boom in het wegeling en Jacob ergerde zijn eigen rot aan de kraai en op een ochtend nam hij zijn geweer mee met de bedoeling om de kraai dood te schieten. Maar hij schoot er wel op, maar hij raakte hem niet.
Tot dat hij eens een keer een oude schoolkameraad tegen kwam en dat was een zoon van een smid en hem vertelde Jacob zijn belevenissen met die kraai bij Koddetje. Nou, zei die kameraad, dan moet jij een zaterdagavond maar eens komen en dan moet je een paar zilveren guldens meebrengen dan maken we van die zilveren guldens zilveren hagel want alles wat met zwarte kunst te maken Dat kan je alleen maar raken met zilveren hagel
Zo had Jacob altijd een paar patronen bij hem die geladen waren met zilveren hagel. Maar de kraai liet zich niet meer zien en Jacob had zijn geweer ook niet altijd bij hem. Totdat het tarwe zaaien bijna klaar was, toen was het weer zo. En toen heeft Jacob erop geschoten met die zilveren hagel en je kon toen wel zien dat hij wel geraakt was, maar toch vloog hij nog weg. En toen Jacob thuis kwam en de paarden uitspande kwam Koddetje zijn vrouw zeggen dat Jacob niet meer hoefde te komen om te ploegen want Koddetje lag met zijn hoofd in de doeken op bed en hij gaf Jacob er de schuld aan.
Nadien is alles in een stroomversnelling terechtgekomen. Cornelis Maes was van Maatje te weten gekomen dat Jacob met Pie van Hecken verkeerde en hij vroeg donderdags op de markt aan Ko Dhaene of hij daar vanaf wist. Nou, toen leek het wel of hij door een perebij gestoken was, zo ging hij tekeer. “Daar zal ik wel eens een stokje voor steken.” En hij ging zo gauw mogelijk naar huis en zo gauw dat hij Jacob zag vroeg hij of het waar was met die meid van die schoenmaker. “Dat is zeker”, zei jacob, maar wat heb je daar tegen?” Wit van kwaadheid was hij geworden. “Jij stomme hond, dat zal nooit gebeuren Maatje Maas laten lopen voor een meid van een schoenlapper. Maatje kan alles wat dat een boerin moet kunnen: ze kan melken ze kan boter maken de oven stoken en broodbakken en ze komt van een mooi hof met een schuur met twee dorsvloeren en dan ga jij met een meid van een schoenlapper die niets kan wat dat een boerenmeid moet kunnen. Nooit geef ik toestemming en ik zal je ook nooit helpen om boer te worden. Daar, nu weet je het.”
Nadien zat Jacob als geslagen diep in de put en Pietje had alle moeite gedaan om hem weer op zijn apropos te krijgen maar dat lukte niet. En toen was het voor Willem van Hecken genoeg. De kanaalwerken waren in volle gang en hij verkocht laarzen en schoenen tegen de klippen op en hij werkte met vijftien knechten en hij had nooit gedacht dat een schoenlapper dat kon bereiken en toen dat hij het hoorde dat zijn noom Piet de Visser op wou houden met boeren heeft hij zijn hof gekocht voor Pietje en Jacob en dat paste precies in hun straatje. Het was niet zo’n groot hof, maar het was alleen maar land met een weide voor de paarden, dus hoefde Pietje niet te melken en niet te karnen. Nadat Pietje in gezegende omstandigheden was komen te verkeren, zijn ze gauw getrouwd. En Jacob was heel gelukkig dat hij nu weer kon ploegen en zaaien en dat heeft hij heel lang nog gedaan.