Elma van Belzen - Katman en de haringvreter

Die waren nu altijd met z’n beiden. Katman en de haringvreter. Twee katten waren dat. En met z’n beiden dachten ze altijd maar aan twee dingen: aan muizen en aan vis.
“Goeiemorgen, Katman.”
“Goeiendag, haringvreter.”
“Dat je veel muizen tegen mag komen vandaag.”
“Dank je, ik wens je hetzelfde.”
Boven z'n slaapplek had Katman een rekstok. Meestal hing hij daar al in als de haringvreter nog de slaap uit z'n ogen poetste. Zwiep, zwiep, rakende mis kwam Katman z'n staart langs z'n oren zeilende. Maar de haringvreter verblikte of verbloosde niet. Ze kenden mekaar goed, begrijp je. Die likte z'n nagels nog eens schoon, neep een oog toe voor het zonnetje net boven de dijk en bracht uit: "Weet je waar dat ik zin in heb?”
“In vis”, zei de Katman, en hij deed nog een dubbele salto.
“In verse vis, ja. Een die nog slaat met z'n staart in mijn maag en die ruikt naar zout en zeewater.”
“Dan zal je naar Arnemuiden moeten, of zou de visboer vandaag komen?”
“Het is dinsdag - dan komt Marteijn toch altoos (= altijd) met scharren bij de buren?”
Met een plof landde Katman voor de neus van zijn maat. Hij veerde lenig in mekaar, duwde z'n kop tegen de grond vlak voor die andere en keek hem recht aan: “Jij smoefel. Ik heb je door. Jij wou een gratis visje voor het ontbijt.” De haringvreter deed z'n ogen even toe. “Mensen moeten betalen. Katten hebben geen portemonnee. Ik spring tegen z'n fiets als hij nog rijdt, dan ligt de vis uit z'n mand wel op de pad.”
De dikke haan op het hof draaide z'n kop om als Katman en de haringvreter roefte (= snel) langs hem heen vloog. “Je zou toch een hartvergroting krijgen van die twee”, sakkerde hij bij zichzelf. Gelukkig dat ze de hoenders nooit iets deden. Tegen zulke lui hielp geen wegvliegen, weet je. As je op de grond belandde, zouden ze al wel op je staan wachten. Zo snel waren ze. Hoor, wat was daar gaande? Daar remde een auto. Ongekend ! De haan deed een strontje van alteratie. Een mensenstem. Oe, wat klonk dat kwaad! “Akelige katten, ik zal je krijgen, ik maal je in worst!” Daar kwam Katman het erf weer op, als een speer. Vlak achter hem de haringvreter met een noodgang. Voor de schuur schoot de ene naar links, de andere naar rechts. En daar stond de visboer te kijken. Wat voor kant moest hij nu op? Hij keek wel nijdig en wat had hij grote stappen genomen!
“Die zijn me te vlug af. Laat maar doen ook.” Zijn zware wenkbrauwen gingen op en neer. Z'n mond lachte al weer. Marteijn was nooit lang kwaad. “Jongers, de volgende keer doe ik je een ongeluk.” De haan rilde zomaar, maar Marteijn was al weer bij het hek.
Achter de schuur kwamen de haringvreter en Katman mekaar tegen. Samen doken ze in een droge dulfkant (= slootkant) en wachtten. “Dat ging verkeerd”, siste de een.
“Kan je wel zeggen” blies de andere. “Doet het geen zeer?”
“Ah wat. Het is geen hond, hoor, hij vecht niet terug.”
“Ja, maar van een auto kan je nooit winnen, broer.”
“Kan ik nu weten dat die visboer net nu een auto gekocht heeft!”
“Je sprong anders wreed hoog! Zat er toch geen deuk in het dak?”
De haringvreter blies eens op de kussentjes van zijn poten. “Nee, ik slierde gelijk vanachter eraf.” “Wees maar blij. Anders had hij je nog wel gepakt.”
De haringvreter haalde z'n kattenschouders op.
“Maar goed, dat geen kat het gezien heeft”, ging Katman verder. “Wat hadden ze gelachen.”
Ze keken naar mekaar. Ze waren kameraden. Katman en de haringvreter zouden mekaar nooit uitlachen.
“Nu heb ik daarom nog honger.”
“Anders ik wel.” Aan de andere kant van de dulf (=sloot) lag het land.